dinsdag 9 september 2014

Geschiedenis van mijn duivenkot (II)

— Isaak Babel (1894-1940) —
Was ik dan toch beter met Hugo gaan fietsen? Het is een vraag die vandaag niet meer te beantwoorden valt, want wie weet hoe de dingen dan vergaan zouden zijn. Hugo had bijvoorbeeld twee zusters, om maar dat te zeggen. Maar ik ben niet gaan fietsen, ik heb het boek van Aster Berkhof uitgelezen en dat heeft er dan weer toe geleid dat ik later geprobeerd heb, verschillende keren zelfs, om een duiventil te organiseren. Allemaal verloren moeite, want het ideaal dat Isidoor heet, bleek onbereikbaar te zijn. Dat te moeten ervaren is een van mijn grote nederlagen geweest en dat in te zien een grote levensles. De wereld van Isidoor is niet meer dan een idylle, een gelukkig en vreedzaam tafereel waarin al te eenvoudige mensen zich bewegen in een wereld die niet bestaat en evenmin heeft bestaan.
Ik ga mijn eigen duivenkotgeschiedenissen hier niet beschrijven, ik hou die verhalen apart, voor later, want ik wil hier iets anders zeggen. Wat zou er met me gebeurd zijn, zo vraag ik me heden af, mocht ik die dag niet Isidoor van Aster Berkhof gelezen hebben, maar De geschiedenis van mijn duiventil van Isaak Babel? Wat zou er gebeurd zijn mocht ik dat verhaal uit de bibliotheek gehaald hebben? Laat me de vraag anders stellen: wat is literatuur?
Misschien had ik dan die magische leeservaring niet gehad of misschien wel, maar er is weinig kans dat ik er ooit aan gedacht zou hebben de doodlopende weg van de duivenmelkerij in te slaan. Nochtans deelde de jonge Babel met mij de aandrang die Isidoor in me opgewekt had. Ook Isaak wilde duiven kweken: ‘Als kind wilde ik graag een duiventil hebben. Het is de vurigste wens van mijn leven geweest.’. Hij ging, net als ik dat later zou doen, tot de daad over, hij trok naar de markt om zijn eerste duiven te kopen en dit is wat er gebeurde:
‘Toen ik bij de oude man kwam, kocht ik meteen een paar kersenkleurige duiven met een prachtige, dikke staart en een paar tuimelaars en stopte ze in een zak die ik om mijn hals had hangen. Na die koop had ik nog veertig kopeken over, maar de oude man wilde me voor dat geld geen duivenpaar verkopen van de Krjoekowsoort. Die Krjoekow-duiven hadden mijn hart gestolen vanwege hun korte, korrelige en vriendelijke snavels. Veertig kopeken was de normale prijs voor zo’n paar, maar de duivenmelker had zijn prijs opgeslagen en keerde zijn gele gezicht van me af, dat gebrandmerkt was door mensenschuwe hartstochten van de vogelaar. Toen Iwan Nikodimytsj na een poos van loven en bieden zag dat er geen andere gegadigden waren, riep hij me bij zich terug.’ En dan sluit Babel deze paragraaf af met de merkwaardige zin: ‘Alles ging, zoals ik het gewenst had en alles ging slecht.’
Isaak Babel vermeldt in dat verhaal de datum: 20 oktober 1905. In de Wikipedia staat wat er in die dagen in Rusland aan ’t gebeuren is: Opgeschrikt door de revolutie ondertekende Tsaar Nicolaas II het Oktobermanifest (…). In het Oktobermanifest beloofde de Tsaar om een parlement (de Doema) in te stellen – met stemrecht voor de mannelijke arbeiders en boeren. Toen het manifest bekend werd op 18 oktober (o.s.) eindigde de staking. Er braken overal grote feesten uit, waaronder voor het Winterpaleis.
Het feest in Moskou werd aangevallen door monarchistische organisaties, die overal in het land een straatoorlog tegen de democraten begonnen. Deze groeperingen stonden bekend als de Zwarte Honderden. Zij liepen met patriottische vlaggen, religieuze iconen en kruizen een processie, wat gepaard ging met vernielingen en vaak ook met moordpartijen. De Zwarte Honderden voerden in de eerste twee weken na het Oktobermanifest meer dan 690 Jodenvervolgingen uit, met meer dan 3000 doden. Zij werden door het Tsaristische regime gefinancierd. Tsaar Nicolaas II liet in een brief aan zijn moeder op 27 oktober (o.s.) blijken dat hij blij was met de Jodenvervolgingen – niet omdat hij antisemiet was – maar omdat hij de Jodenvervolgingen beschouwde als een steunbetuiging aan zijn regime.’
Isaak Babel vertelt ons die context niet, maar we beleven wel de pogrom. We zien de benden van de Zwarte Honderden optrekken: ‘Oude mannen met geverfde baarden droegen het portret van de tsaar, met de scheiding in zijn haar; kerkbanieren en heiligenbeelden deinden boven de stoet op en neer, verhitte oude vrouwen snelden voor de processie uit.’ En wanneer de jonge Babel, fel gehavend door de gebeurtenissen en zonder duiven, thuiskomt, wordt hij daar meteen geconfronteerd met de in de pogrom vermoorde Schojl, zijn grootvader, de man die het duivenhok voor zijn kleinzoon gemaakt heeft. ‘Het huis was leeg. De witte voordeur stond open, het gras bij de duiventil was platgetrapt.’ Wat Babel daar schrijft is dit: je kunt de wereld niet buiten houden en je kunt jezelf niet buiten de wereld houden. Ook niet als je tussen jezelf en de wereld een duivenkot probeert te zetten. Dat heb ik later zelf ondervonden, maar 'k had het al veel vlugger kunnen weten, ware er dat boek van Aster Berkhof niet geweest en dat van Isaak Babel wel.
Flor Vandekerckhove
Isaak Babel, Alle verhalen. Meulenhof, A'dam. 2001. 573 ps.   
Een reactie posten