zaterdag 17 juni 2017

Joggen in het post-Dutroux-tijdperk


De zeekant laat ik achter me, ik neem de houten trap over de duinen, stijgend vanaf de Spinoladijk, dalend naar de Koninklijke Baan. Boven kijk ik uit over de dingen, rechts Oostende, links Bredene, in de verte polders. Achter me de zee en ook een stem: ‘Meneer?’
Een knaap. Hoeveel kilometer ik wel loop, hoeveel keer per week en waarlangs dat dan gaat. Waar ik woon en of ik getrouwd ben.
Wie jong is ontwaart niet meteen een kindervriend in me — ik heb kleinkinderen die schrik van me hebben — maar deze jongen ziet dat anders. Ik wil hem niet teleurstellen, toch niet meteen, en geef vriendelijk antwoord op de vragen die hij over me uitstort. Waarna het mijn beurt wordt om iets te vragen. Ja, ook hij is een jogger. En een zwemmer. Op muren klimmen doet hij ook, iets waarin hij uitblinkt.
Beneden aan de trap scheiden onze wegen. Hij verblijft bij zijn vader, rechts, en mijn joggingparcours leidt naar huis, links. Doei!
Honderd meter verder: ‘Meneer?’ De knaap weer. Of hij een eindje met me mee mag lopen. Hij jogt wel graag, maar niet alleen. Hij wordt gepest. Houdt niet van zijn vader. Heeft nog twee broers en een zus. Soms ziet hij het leven niet meer zitten. Heeft al eens gedacht om er een einde aan te maken. Zijn moeder woont in Brugge. De scheiding weegt zwaar, maar bijlange niet zo zwaar als de pesterijen. Hij is tien.
Ik weet niet goed wat me overkomt, want kinderen beginnen al te wenen zodra ze me nog maar van verre zien. Niet deze jongen. Terwijl we verder lopen aan een tempo dat iets te traag voor hem is en iets te vlug voor mij, formuleert hij zware antwoorden op mijn lichte vragen. De jongen ontroert me zowaar. Ik graaf diep in mijn schaarse kindvriendelijkheid en zeg hem dat alles in het leven twee kanten heeft, een slechte en een goede. Dat hij ook naar de goede kant van de dingen moet leren zoeken. Een mens moet iets zeggen.
‘Ja’, antwoordt hij, ‘dat hoor ik overal. Mijn mama en de psychologe zeggen dat ook, maar,’ voegt hij er meteen aan toe, ‘het duurt soms lang voor je de goeie kant kunt zien.’
Die jongen is godver een duim groot en wat hij zegt is allemaal zeer waar. Ik ben sprakeloos, en dat komt niet alleen doordat ik te hard loop. Gelukkig ben ik ook bijna thuis.
Op de straathoek laat ik de knaap achter, ik wil niet dat hij weet waar ik woon. Ik vrees de moeder, ik vrees de psychologe, ik vrees de vader, ik vrees de flikken, ik vrees de blikken van de mensen. Dit is het post-Dutroux-tijdperk.
Achteraf bedenk ik dat ik een angsthaas ben, een bangerik, een haasvreter, een schijtebroek, een schijter. Een lafbek, ja, dat is het goede woord, een lafbek. Maar dat je vandaag de dag niet voorzichtig genoeg kunt zijn… da's natuurlijk ook waar.

Flor Vandekerckhove
Een reactie plaatsen