woensdag 21 juni 2017

Sterkste man van Gent blijkt West-Vlaming te zijn

Eén keer heb ik in ’t cachot gezeten. Dat was in Gent, op de Poeljemarkt. Nu is daar, denk ik, geen politiebureau meer, maar in die tijd dus wel. Naar dat bureau was ik gevlucht, achternagezeten door een horde Gentenaars die het op me gemunt had, omdat ik een West-Vlaming ben.
Aan de flik, die daar de nacht aan ’t doen was, vroeg ik meteen asiel en toen hij antwoordde dat hij daar geen papieren voor liggen had, schold ik hem uit voor vorte vis. Met resultaat, want hij stak me in de cel. Daar zat ik veilig, althans voorlopig.
Buiten ging het van kwaad naar erger. Een dolle massa troepte voor het bureau samen. Ik hoorde paarden briesen, honden blaffen en mensen joelen. Het deed me aan die western denken, waarbij het plaatselijke plebs het recht in eigen handen nam en het kantoor van de sheriff belegerde.
De flik nam het zekere voor het onzekere en sloot het bureau. Daar zaten we nu opgesloten, die mens en ik. Voor de deur stond een massa autochtonen te scanderen dat we beuzakskes waren. Gevaarlijk werd het pas echt toen ze uit het Gravensteen een stormram haalden en ermee tegen de deur begonnen beuken.
De flik begreep dat het zo niet kon blijven duren. Hij ontgrendelde het cachot en gaf me zijn matrak. Zelf haalde hij zijn blaffer uit de holster en op zijn teken — van één, van twee, van drie — stormden we naar buiten. 
Terwijl de flik een waarschuwingsschot loste overschouwde ik de Poeljemarkt. In de hoek was de galg al opgesteld. Voor ons stond een dreigende massa. Ik kon alleen maar ontsnappen door me met de matrak een weg te meppen in de richting van de Mammelokker.
En dat is ook wat ik vervolgens deed. ‘k Stekte er ene vaste en ik stak hem naar omhuuge, ‘k liet hem toens weer vallen en stond hij weren op, awel, ‘k gaf hem ne klop en nen bok van mijne kop. Die had niemand zien aankomen! De meute stond versteld. Meer nog dan mijn machtsvertoon maakte mijn woordgebruik grote indruk. (*)
Een Gentenaar kwam met zijn hond op mij af en riep: ‘Past op of hij bijt.
Ik antwoordde: ‘Moar van zo een biestje benne ‘k ik toch niet benijt.’ Doarop begoste ‘k ik aan zijn slurfke te trekken, ik sprong op zijne rug en ik had hem vast bij zijne nekke, ik droaide da biestje ne kier of viertig rond, hij lag daar toens te spertelen mee zijn muile op de grond.
Het lied stopte bruusk toen het snoer uit de jukebox getrokken werd. Ik schrok ervan wakker. Overal om me heen zag ik restanten van de voorbije nacht liggen, lege glazen, tierlantijnen, halfvolle frietzakjes en plassen met braaksel. Heel het café was, op mij na, leeg. Ik had koppijn en zwoer dat ik nooit ofte nimmer nog aan de Gentse feesten zou deelnemen.
Flor Vandekerckhove
(*) Waarbij beuzak een rotzak is en omhuuge omhoog. Een bok van mijne kop is een kopstoot. Een slurfke is een pietje. Benijt is benauwd. De agent in kwestie heette Tsjok en dat betekent Jaak.


Een reactie plaatsen