donderdag 20 juli 2017

Laatste avondmaal in Casino-Duinhof

— In 1958 begon de Vlaamse charmezanger Henk De Bruin het casino van Bredene uit te baten. Hij noemde het Casino-Duinhof. — 

Naast mij zat een IJslandvaarder die nog met Hugo Claus gedobbeld had toen die negentien was en in Oostende op het hoogste verdiep van het Hotel de Londres sliep. Terwijl hij zijn vlees aan stukken reet zei hij: ‘De eindtijd is aangebroken.’ En met zijn tanden trok hij nog een stuk varken uit de homp.
De visser uitte op die manier wat wij allemaal wisten: het casino van Bredene had zijn beste tijd gehad. En nu Henk De Bruin er ook de brui aan gaf…
Koelkasten, voorraadkamers, kelders en opbergrekken van het etablissement waren leeggehaald en al wat daar stond was klaargemaakt en op tafel gezet. Frieten en kroketten. Bergen gekookte aardappelen en vlees van soorten. Mayonaise à volonté. Kazen, taarten, soep en borrelhapjes; alles door elkaar. Ik liet mijn blik over de tafel glijden. In de verte zag ik ook sla staan en da’s — zo dacht ik meteen, maar waar haalde ik het? — gezond om te eten, er zijn veel bekende atleten die enkel leven van sla. Bovendien was er ook knolraap & lof, schorseneren & prei.
Aan de overkant van de tafel stond iemand op. Hij liet een boer en zei met luide stem: ‘Wie er wil uitzien als Marlon Brando is ijdel. We gaan ons gewoon dood vreten.’ Wat merkwaardig is, want die woorden komen uit de film La grande bouffe en die was toen nog niet gemaakt. Waaruit blijkt dat er wel degelijk magie in de lucht zat toen we ons allemaal, groot & klein, arm & rijk, in het casino verenigd hadden om Henk De Bruin uit te wuiven.
Ik keek naar de graaiende handen van mijn disgenoten. Al het voedsel stond niet alleen door elkaar gepresenteerd, het werd ook door elkaar gegeten. En al dat eten werd met sloten drank doorgespoeld.
Dat kon niet blijven duren. De aardappelen werden koud, het vlees schaars en de drank geraakte op.
De vreetpartij liet een slagveld achter. Er waren er zelfs die met het hoofd op tafel, in hun eigen kots, in slaap gevallen waren. De grens van de wansmaak was daarmee fors overschreden. Ik stond op, verwijderde me van de dis en ging naar buiten.
Daar stond Henk De Bruin. ‘Hoe gaat ’t daar binnen?’ vroeg hij me.
‘Ze gaan je afscheidsdiner niet gauw vergeten,’ antwoordde ik naar waarheid. 
Daar was hij blij om, zei hij, anders bleef al dat eten daar toch maar staan. ‘Ik moet je nog iets vragen’, zei hij vervolgens.
‘Henk,’ antwoordde ik, ‘laat maar komen, je weet dat je op mij kunt rekenen.’
‘Je moet me beloven,’ zei hij, ‘dat je hier ooit een verhaal over schrijft.’
Ik wilde nog vragen welk verhaal zijn voorkeur had, maar dat ging niet, want Henk De Bruin haastte zich plotsklaps naar de Avenue le Grand, waar de 4 aankwam die hem voorgoed uit Bredene weg zou voeren.
Als enige was ik getuige van dit historische moment. Ik kreeg er koude rillingen van en wuifde Henk na tot de bus achter de Groenendijk verdwenen was. Daarna ging ik weer naar binnen om nog een toetje te eten. 
Bijna zestig jaar later postte ik dit verhaal in deze blog. Belofte ingelost!
Flor Vandekerckhove



Een reactie posten