maandag 16 januari 2012

De onwelkome partizaan

George Orwell
Het leidt geen twijfel: wie schrijft voelt de druk van degene die het voor het zeggen heeft.  Dat is ‘normaal’, want wie macht heeft… oefent die ook uit. Ik weet het, ik ben als uitgever-redacteur van Het Visserijblad een ervaringsdeskundige. Meermaals werd mij (impliciet èn expliciet) duidelijk gemaakt dat ik bepaalde onderwerpen het best uit de weg ga (en dat zijn er niet weinig), dat ik het imago in het oog moet houden en dus het potje gedekt, dat ik verdeeldheid zaai waar eendracht nodig is, de vuile was uithang terwijl alles schoon en proper hoort te zijn.
Het is een druk waaraan ik uiteraard nooit toegegeven heb. En het heeft gevolgen gehad. Ik wil niet pathetisch klinken, maar ik heb er wel degelijk een prijs voor betaald. (Wat ik overigens met de glimlach gedaan heb, ook wanneer die prijs niet min was.) Ander gevolg: het heeft me aandachtig gemaakt voor discussies over de moeilijke verhouding tussen een maatschappelijk engagement en een eigen schrijfpraktijk.
George Orwell schreef er al over voor ik geboren was.  Hij was een politiek schrijver, zowel als journalist als in zijn verhalend werk.  Hij behoort tot de grondleggers van de participerende journalistiek. En iedereen die Animal farm gelezen heeft weet dat ook zijn fictiewerk geëngageerd was.
In Writers and Leviathan heeft hij het over het politieke engagement dat een schrijver kan aangaan. Orwell heeft daar merkwaardige opvattingen over: ‘Ik denk niet dat hij [de schrijver] zich, louter op basis van zijn gevoeligheid, mag onttrekken aan het gewone, vuile politieke werk. Net zoals alle anderen moet hij bereid zijn lezingen te geven in tochtige zalen, gaan kalken, kiezers werven, pamfletten verdelen, zelfs in burgeroorlogen vechten indien dat nodig blijkt.  Maar wat hij verder ook moge doen in dienst van zijn partij, hij zou er nooit mogen voor schrijven. Hij zou moeten duidelijk maken dat zijn schrijven iets apart is.’
Orwell heeft al dat politieke geploeter gedaan, inclusief het vechten in een burgeroorlog. Maar wat hij hierboven over het schrijven zegt, als zijnde iets apart, is eigenaardig.  Een auteur mag, dixit Orwell, op straat wel partijpolitieke pamfletten uitdelen, maar hij mag ze niet zelf geschreven hebben.
Hallo?! Op het eerste gezicht lijkt het een schizofrene toestand, maar op het tweede gezicht alweer veel minder: ‘Maar betekent dit alles dat een schrijver (…) zich ook moet inhouden om over politiek te schrijven?  Nogmaals, helemaal niet! (…) Het is alleen maar dat hij dat zou moeten doen als een individu, een outsider, ten hoogste als een onwelkome partizaan op de flank van een regulier leger.’
Orwell mag het over politiek hebben, hij beschrijft in die regels ook de manier waarop ik mijn eigen schrijfpraktijk in de vissersgemeenschap aangepakt heb.  Want ja, wie de publicatie van Het Visserijblad op zich neemt gaat ook een sterk maatschappelijk engagement aan.  Hij ijvert voor het voortbestaan van de vissersgemeenschap en voor de waarden die hij erin vertegenwoordigd ziet.  Hij schrijft met liefde voor de gemeenschap waarin hij gedijt.  Maar in diezelfde gemeenschap wordt hij, niet minder dan in de politiek, geconfronteerd met wrange machtsverhoudingen, plat opportunisme, eigenbelang gecamoufleerd als algemeen belang, doofpotoperaties, leugenachtige verklaringen van leidinggevende figuren en twijfelachtige praktijken van achterbakse lobbyisten…
Mijn engagement in de visserij heeft me nooit belet over dat alles te schrijven, veelal tegen de stroom in, meestal zelfs als enige.  Maar het omgekeerde geldt evengoed: dat ik kritisch over die sector schrijf, heeft me nooit belet om deel te nemen aan acties voor het behoud ervan. Daarenboven heb ik ondervonden dat je zo doende, zoals Orwell zegt, inderdaad gezien wordt ‘als een onwelkome partizaan’ [met de nadruk op onwelkome] op de flank van een regulier leger’.  Dat je zo beschouwd wordt… door de generaals wel te verstaan.
Flor Vandekerckhove
Een reactie plaatsen