donderdag 19 januari 2012

Naar de Vuurtoren

Peter Holvoet-Hanssen en Flor Vandekerckhove
in Rood-Wit te Berchem
(10 mei 2010, foto Jo Clauwaert)
Het Visserijblad (HVB), het tijdschrift dat ik uitgeef, dat hoe langer hoe meer Het Vrije Visserijblad begint te heten, is een zaak van de zee. Het is een door en door Oostends blad dat in de vissersgemeenschap gepekeld werd en daar al 78 jaar uitgegeven wordt. Eigenaardig evenwel is dat er nogal wat mensen aan meewerken die ver van de visserskaaien vandaan wonen.
Nicole Derycker, een schrijfster die maandelijks een column aan het blad levert, woont bijvoorbeeld in Wakken en dat is echt aan het einde van de wereld. Peter Flynn, een Ierse dichter die in Antwerpen doceert, woont in Gent. Daar woont ook Ilse Heip.  Don Fabulist woont ergens in Wallonië. De stek van Geert Cyriel Tavernier moet je in Zande zoeken (maar dan moet je eerst Zande zelf vinden). Jacques van Harten woont zelfs zo ver in Nederland dat we niet eens weten waar het is. Jo Clauwaert, die verantwoordelijk is voor de supermooie vormgeving van het blad, woont in De Pinte en Peter Holvoet-Hanssen, de stadsdichter van Antwerpen woont natuurlijk in ’t Stad.  Et j’en passe.
Sommigen onder hen willen daar iets aan doen. Ze willen verhuizen. Ze willen in Oostende komen wonen, en meer bepaald op de Opex, of nog liever op de oude vuurtorenwijk, aan de oosteroever, in elk geval zo dicht mogelijk onder het vuurtorenlicht.  Ik begrijp het.  Ik ken dat. Ik ben ter zake een ervaringsdeskundige, want ik heb ooit, en wel gedurende vele jaren, vlak onder de Oostendse vuurtoren gewoond. Ik heb er zelfs de naam van deze blog aan overgehouden: De Laatste Vuurtorenwachter.
[Ik heb indertijd veel miserie gehad door die naam. De ouderen onder ons zullen zich die tijd nog herinneren. Onder die titel schreef ik eertijds in HVB satirische stukken waarin ik God en klein Pierke door de mangel haalde. Wat mij door Gods eigen dienaar op aarde en ook door klein Pierke zwaar aangerekend werd, zo moet ik zeggen. Maar ik had ook veel miserie omdat velen bleken te denken dat ik effectief de laatste vuurtorenwachter was. Ik heb dan ook menig televisiemaker diets moeten maken dat het een nom de plume was, zoniet zou ik in die jaren van het scherm niet weg te branden geweest zijn.]
Ik wil maar zeggen: die plek onder de vuurtoren heeft iets.  Mensen worden erdoor aangetrokken.  Dat komt door wat Boudewijn Büch bij leven en welzijn het vuurtorengevoel noemde.
Lang voordat Büch de term ijkte, schreef ik al over dat gevoel. Ik deed dat in een eenmanstijdschriftje dat ik toen uitgaf en dat Vivaldi heette, zo genoemd naar het café van de sponsor.  Mijn stuk ‘De vuurtorenwatcher’ verscheen in 1988 en Büch beschreef het gevoel (in Snoecks) in 1991. Ik deed het nog eens in een verhaal dat ‘De smaak van zeewater’ heet en in 1991 uitgegeven werd in een gelijknamige bundel. Maar lang voordat Büch en ik erover schreven deed Virginia Woolf dat al in To the Lighthouse. In dat boek waarvan iedereen alleen maar de titel gelezen heeft, zegt ze: ‘So that was the Lighthouse, was it? No, the other was also the Lighthouse.  For nothing was simply one thing.  The other Lighthouse was true too.’  
Virginia Woolf kende het vuurtorengevoel.  Maar er zijn ook mensen die 't niet kennen. Voor hen zijn vuurtorens objecten uit de wereld van de zeevaartkunde.  Zij menen dat zeelui die dingen nodig hebben om de weg naar de haven te vinden. Niets is minder waar.  Ik ben er meermaals getuige van geweest dat een schipper alleen maar uit het raam kijkt om te zien hoeveel vis er in het net zit.  Voor de rest rust het oog van zo’n zeeman op het radarscherm dat hem dag en nacht begeleidt.
Dit stuk gaat evenwel over mensen die wel met het vuurtorengevoel begiftigd zijn, zoals de binnenlandse lieden die aan HVB meewerken.  Zij beschouwen vuurtorens geenszins als objecten uit de zeevaartkunde.  Bij dat deel van de mensheid zijn vuurtorens mythische bouwsels, het zijn archetypes.  Zij staan voor iets.  Vuurtorens staan voor ‘geborgenheid’, voor ‘licht in de duisternis’, voor de zekerheid dat er een thuis(haven) is.  Het vuurtorenlicht is een ‘weg’, een ‘houvast’, een ‘band’, een ‘baken’. Het wordt ervaren door mensen die enerzijds weten dat god dood is, maar anderzijds vermoeden dat de vuurtorens er zijn om dat weer goed te maken.  Bij hen gaat het de mysterieuze, romantische, welhaast religieuze toer op.
Als kind sliep ik in Bredene op een mansarde.  Het laatste beeld dat zich telkens op mijn netvlies vastlegde was dat van het vuurtorenlicht dat een stukje van de muur van mijn zolderkamer bescheen.  Daarna viel ik in slaap.  Later toen ik zelf ver in het binnenland woonde en van daaruit regelmatig naar de zee afzakte — moest afzakken, zoniet werd ik ziek, zeeziek — was het eerste herkenningspunt dat ik vanaf de autosnelweg zag, het vuurtorenlicht.  Ik heb het menig keer gedacht: als ik me naar de vuurtoren richt, gaat mijn leven de juiste richting uit.  Ik heb er uiteindelijk de steven naar gewend en heb het me nimmer beklaagd. 
Op de Oostendse oosteroever zal hier met genoegen lezen dat ook de anderen onderweg zijn. Maar ik verwittig hen!  Ik keer daarom nog even terug naar mijn verhaal De smaak van zeewater.  Daarin wordt een personage overweldigd door dat vuurtorengevoel: ‘Naassens werd heel teerhartig aan de voet van de Oostendse vuurtoren.  Hij liet de toren zijn werk doen. Het regelmatig zwaaiende vuurtorenlicht werkte op hem in en duwde zijn koel redenerende persoonlijkheid op de achtergrond.  Vuurtoren, lichtbaak, draaibaken, lichttoren, zwaailicht en vuurtoren… Hij liet zijn tong over z’n lippen gaan en proefde de zoute smaak van zeewater.  Hij werd er dronken van, dronken van geluk.  Gelukzalig, overgelukkig, euforisch. Naassens kreeg opeens de onweerstaanbare drang iets onvoorzichtigs te doen.’ Iets onvoorzichtigs dus, zoals… naar Oostende verhuizen.
Flor Vandekerckhove
Een reactie plaatsen