zondag 5 augustus 2012

De jongen en de vlag


Ik dacht dat het verloren gegaan was, maar onlangs bezorgde mijn dochter me een oud tableautje, waaronder ik een ander kon vermoeden. Ik schraapte de bovenste laag weg en vond wat ik wilde vinden: een tafereeltje dat ik in het begin van de jaren zeventig geschilderd had.  Kijk, nu ligt het hier voor mij.
Een technisch hoogstandje is het niet, daarenboven ook nog eens erg gehavend door het wegschrapen van de laag die het bedekte, maar het blijft desondanks het schilderij dat mij het dierbaarst is.
Een knaap staat op het strand dat voor de rest helemaal verlaten is. Ver achter hem ligt de zee. De jongen heeft een wit matrozenpakje aan en een baret. Hij houdt een schopje vast.  Rechts, ver achter hem, ligt een rode vlag ontvouwd, als een deken op het strand, een uitnodiging om te gaan zitten.
Toen ik het schilderde was ik een jongvolwassene. Ik was pas getrouwd. We hadden een huis laten bouwen. Ik had een beroep. Het waren de jaren waarin de jongen een man wordt, klaar om het leven te aan pakken. Ik maakte in die jaren ook fundamentele politieke keuzes en die waren fel rood gekleurd, want sterk beïnvloed door de gebeurtenissen van 1968.
Dat alles wordt op dat tableautje afgebeeld. De jongen staat met zijn rug naar de zee, emotieloos ten aanzien wat hij achter zich gelaten heeft, hij neemt het heft in eigen handen en kijkt onbeschaamd naar de toeschouwer. De rode vlag toont zijn politieke engagement. Het matrozenpakje is dat van de jeugd en de baret is die van de volwassenheid. Dit ben ik in 1972!
Maar waarom staat die jongen daar alleen op dat grote strand en waarom ligt die vlag daar achter hem gestreken? Het zijn vragen waarop ik toen al het antwoord wist, een antwoord dat ik kon schilderen, maar nog niet uitspreken. Ik had eerst nog werk te verzetten, kinderen op te voeden, een programma uit te werken. Ik moest eerst nog een stempel drukken, een voetdruk achterlaten, ik had net als Bram Vermeulen eerst nog een steen te verleggen.
Ik was, zo heb ik altijd al geweten, niet erg geschikt om het leven aan te pakken. Hoe klein het steentje ook was dat ik in Brams rivier te verleggen had, het woog mij toch altijd iets te zwaar. Hoeveel keer heb ik gevreesd dat ik er niet in zou slagen de rit uit te rijden? Hoeveel keer heb ik mijn koffer niet neergezet, om hem uiteindelijk toch weer op te pakken en ermee voort te gaan?
Inmiddels ligt het allemaal achter me. De vlag is gestreken. Die had ik in 1972 al op dat tableautje klaargelegd. Veertig jaar later kan ik eindelijk gaan zitten.  Ik mag nu het antwoord formuleren dat het schilderijtje in zich draagt. Net zoals Ismaël ben ik teruggekeerd naar de plek die ik lang geleden moest verlaten omdat ik een witte walvis te bejagen had. Eindelijk kan ik zeggen wat de oud-revolutionair Conrad Detrez me bij leven en welzijn voorgezegd heeft: ‘L’idée de dire la vie, ma vie, a remplacé le désir de refaire le monde’.
Flor Vandekerckhove
Een reactie plaatsen