zaterdag 3 januari 2015

Soupape

Er hing iets in de lucht, een onrust waar niemand de vinger op kon leggen, maar die door iedereen werd aangevoeld. Iedereen, dat waren de leerlingen en de leraars van ‘t college waar ik school liep. We zagen het in de ogen van onze opvoeders en we voelden het aan ons lijf. We wisten dat het zou gebeuren, maar we wisten niet wat waar wanneer en evenmin waarom. Het had met het weer te maken dat drukkend was, met de tijdgeest die opstandig was en met de pubers die wijzelf waren.
’s Middags, tussen de lessen, was er, zoals steeds, de pauze die we op de koer doorbrachten, gemeenzaam speeltijd genoemd, een kwartiertje waarin we verondersteld werden onze overdadige energie letterlijk kwijt te spelen, maar die keer zou dat anders gebeuren. Er was een onverwachte stortbui die ons van de koer wegjoeg, de ene helft naar rechts, de andere naar links, twee plekken waar we onder een afdak konden schuilen. Heel de koer was in een mum gespoeld. Daar stonden we nu naar de regen te kijken, langs de ene kant met honderd, langs de andere kant met evenveel. En in ‘t midden van dat alles, in ’t deurgat van de refter, aan de zijkant van die koer, stond Soupape, de gehate studiemeester van de internen. Soupape is een Frans woord, maar ’t is evengoed Oostends, en het betekent, zoals je weet, ventiel. Waarom die mens door ons zo genoemd werd weet ik niet (*), waarom hij gehaat werd evenmin, maar ik herinner me wel nog dat die haat van een intensiteit getuigde die je dat alleen maar in je puberteit kunt opbrengen.
Het begon bij degenen die onder ’t afdak naast de toiletten stonden. Iemand produceerde het sissende geluid dat uit een ventiel ontsnapt. Het werd door een tweede overgenomen, daarna door tien en uiteindelijk door honderd. Het sissen kaatste tegen de collegemuren, ging de hoogte in, daalde vanuit den hoge weer neder over de koer en overstemde aldaar het geluid van de stortbui. De strenge Soupape was er de man niet naar om dat ongestraft te laten, maar zodra hij dreigend in beweging kwam, hield het sissen aan gene zijde op en namen wij het, aan deze kant, over. Soupape moest zijn beweging halverwege onderbreken. Hij draaide zijn hoofd, keek ons woedend aan en zag niets dan de schijnbaar onschuldige, nog baardloze gezichten van honderd jongens die op hun beurt alweer met dat sissen gestopt waren, terwijl de overkant het weer had overgenomen.
Wat een moment! Lang heeft ’t niet geduurd, maar toch lang genoeg om ‘t me een halve eeuw later nog te herinneren als de dag dat wij, de baardloze jongens van ’t college, het gezag getart hebben — even toch.
Flor Vandekerckhove

(*) Daar heb ik inmiddels al een mail over ontvangen die de onwetendheid hierover ongedaan maakt. Voor meer info kijk je bij opmerkingen.


Een reactie plaatsen