vrijdag 7 augustus 2015

Elooi Valke en zijn vrouw

Tot 1996 woonde ik op de Oosteroever, de stek van de Oostendse vissers, een plek waar de jachteconomie over de dingen heerste. ’s Nacht werd daar de vis gelost en overdag werden de schepen opgelapt. Veel over en weer geloop, ateliers, pakhuizen, koelhuizen, roestend ijzer en een visgeurtje. Veel volk woonde er niet; meestal eenzaten, outlaws zelfs, altijd mannen, slechts enkele gezinnen. Zelf woonde ik er op de hoek, vlak naast de vuurtoren — ik hield er mijn pseudoniem aan over, De Laatste Vuurtorenwachter. Links, naast mij, woonden Valke en zijn vrouw. Die Valke had lang als machinist gewerkt op vissersschepen die naar IJsland voeren. Toen de visserij daar op haar limieten stootte, had hij een handel in ijzerwaren overgenomen. De mannen die eertijds zijn collega’s waren, werden nu zijn klanten; voor hen was Valke meer dan een mensennaam, het was een huis van vertrouwen.
Elk jaar, op 1 december, nodigde Valke de buren uit, àlle buren. In de grote loods kwamen de bewoners van de Oosteroever dan bijeen. Dat had te maken met het feest van Sint-Elooi, de patroonheilige van de metaalbewerkers, voor wie Valke een grote devotie koesterde, want 't metaal was zijn broodwinning en bovendien heette hij zelf Elooi, Elooi Valke. Ik schat dat er in die loods dan telkens zo’n kleine honderd man aanwezig was, plus een vrouw, Valkes echtgenote. Er waren broodjes, er waren flesjes en er was geroezemoes. Neen, ik heb er nooit eerder iets over geschreven, ook niet toen ik een journalist was en dat eigenlijk wel had moeten doen. Er geschiedden daar immers dingen die het vermelden waard waren. U zou ze niet geloofd hebben, maar ze gebeurden wel degelijk, jaar na jaar, zeker tot 1996, het jaar waarin ik verhuisde en de buurt achter me liet.
Alhoewel we op den duur wel wisten wat er op zo’n bijeenkomst zat aan te komen, schrokken we ons toch telkens weer een hoedje. Eerst werd er gekeuveld, we aten een broodje en waren blij elkaar op zo’n ontspannen moment te ontmoeten. We haalden herinneringen op, zegden iets over het weer, lachten wat en dronken uit die flesjes. Dat was alleen maar voorspel, want opeens, altijd weer op een onverwacht moment, gebeurde het dat Elooi Valke omhoog begon te gaan. Hij steeg boven ons uit als een Christus die ten hemel voer. Ik kan u verzekeren dat het dan stil werd in die loods. Zelfs in 1996, toen ik het al voor de achtste keer mocht meemaken, werd ik er nog altijd stil van. Valke steeg gestaag, keerde zich al stijgend om en zette zich als een vlieg, op handen en voeten, tegen ’t plafond. Hij keek vriendelijk lachend naar beneden, verloor daarbij zijn pet, zette zich schrap en schoot vervolgens als schuimend water dat krachtig uit een slang gespoten werd, dwars door de openstaande poort, naar buiten. De complete stilte waarin dat alles gebeurde werd vervolgens, altijd weer, aan stukken gereten door mevrouw Valke die onbedaarlijk begon te lachen. Die lach van haar… Ze lachte op een manier die moeilijk te omschrijven valt, maar die in elk geval zeer aanstekelijk was, zodat ook wij op den duur begonnen te lachen, eerst enkelen en dan meer en meer; een lach die almaar toenam tot wij allemaal uitzinnig met mevrouw Valke meelachten. Het gebulder van die gemeenschappelijke lach was oorverdovend. Hij botste tegen het metaal dat overvloedig in Valkes loods aanwezig was en kaatste dan terug, tot in onze lendenen; in de eerste plaats in die van mevrouw Valke die van al dat lachen… klaarkwam. Mevrouw Valke had nu haar hoogtepunt bereikt, net zoals Elooi dat eerder al gedaan had. Voor ons werd het daarmee tijd om weer eens op te stappen. Waarna het leven op de Oosteroever zijn gewone gangetje hernam: ’s nachts loste men de vangst en overdag lapte men de schepen op met ijzerwaren van bij Valke, huis van vertrouwen.

Flor Vandekerckhove

[Dit stuk maakt deel uit van een verhalenproject dat ik opgestart ben en waarbij ik versteende vissersverhalen probeer tot leven te wekken. Wie er meer wil lezen kan aan de rechterkant van de kolom op het label 'Verhalenproject 2015-16' klikken; daar staan er al een twintigtal.]
Een reactie plaatsen