zondag 23 augustus 2015

Hope uit de viswinkel

Zeven jaar had ik met die vrouw samengeleefd en nu haatte ik haar. Ik kon haar nochtans niets verwijten. Het eten was voortreffelijk en de rest van de verzorging was dat ook. Ze had een behoorlijk inkomen en daar werd ik van onderhouden. Het was ook niet dat ze me verplichtingen oplegde, want dat deed ze niet. ‘s Morgens maakte ze zich uit de voeten, ze werkte heel de dag in die boetiek van haar en intussen kon ik mijn verhalen schrijven.
Ik liep rond in het appartement en zag haar gadgets staan. Overal hingen vreselijke schilderijen. Veel tapijtjes op de vloer en tafeltjes en krukjes, gedroogde bloemen, vazen en boeken, allemaal op strategische plaatsen. Ik hoorde bij de schrijftafel, vlak voor het raam, met uitzicht op zee.  Ze had zich een woonst bedacht met eendjes en foto’s en schilderijen en een schrijver. Ik was een deel van haar decor. Die conclusie was zich net aan ‘t vormen toen de telefoon begon te rinkelen, een telefoon in de vorm van een miniatuurpiano. Ze zou iets later zou thuiskomen. Ik legde de pianofoon neer, vleide me op de sofa en keek hoe de dag voorbij aan ’t gaan was.
Opeens sprong ik recht. In een openbaring had ik alles doorgrond. Dàt was het wat me stoorde in het appartement, in die vrouw, in dit leven. Het was allemaal verpakking en daarin zat niets, helemaal niets. Ze had het leven herleid tot franjes en ik was de grote strik die dat leven er waardevol deed uitzien. 
Eens je dat inzicht hebt, twijfel je niet langer. Dan sla je op de vlucht en dat is ook wat ik prompt deed. Ik stak mijn pen op zak en trok de deur achter me dicht, waarmee ik een vrij man werd. Ik stond weer op eigen poten en huurde dezelfde dag nog een gemeubelde studio.
‘s Anderendaags deed ik inkopen. Ik kocht veertien light menu’s, een krat bier en een stapel papier en besloot een nieuw boek aan te vatten. De tijden bruisten van vitaliteit. Ik at de ene light menu na de andere, liet de afwas staan en kreeg van iemand een jong straathondje cadeau. Het beest scheet het huis vol en de studio stonk als de pest, maar het schrijven ging goed vooruit. De held was zojuist in New York aangekomen, in zijn bagage stak een kilo coke met een straatwaarde om U tegen te zeggen.
Tien dagen later was ik twee kilo vermagerd. De studio was een ruïne. Mijn ondergoed stonk zo erg dat het zelfs voor de hond niet prettig meer was. Op de keukentafel was geen plaatsje meer vrij. Vier afgewerkte hoofdstukken lagen kriskras door elkaar en daartussen lagen lucifers, sigarettenpapier, koffievlekken, een omgevallen glas bier en het begin van nog een ander boek.
Ik liet alles voor wat het was en ging wandelen. Ik voelde de najaarsbries door mijn kleren waaien en vroeg me af wat de zin van mijn bestaan was. Ik ging een bar binnen om mij eens goed te bezatten. Aan de tapkast zat het verkoopstertje uit de viswinkel rechtover de boetiek van mijn ex. Ze was alleen. Rond haar hing de weeë geur van garnalen. Ik realiseerde me dat alleen eenzame vrouwen in zo’n bars rondhangen en ging op de kruk vlak naast de hare zitten. Mijn naam is Hope, zei ze. Ik ken je wel, antwoordde ik, jij bent de Hope van de vishandel. We geraakten in gesprek. Wat het mens mij aangedaan had! Dat vond zij zonde. Je moest een kreng zijn om iemand als ik kapot te maken! Een schrijver!  Een kunstenaar! Kortom, ik was veel te goed voor dat boetiekmens en had een vrouw nodig die me begreep.  Een vrouw uit de vissector bijvoorbeeld.
Het was al flink na middernacht toen we naar haar flat trokken. Het appartement was warm en gezellig. Er stonden Engelse meubeltjes en hier en daar lag een boek. Aan de muren hingen gereproduceerde foto’s van halfnaakte meisjes. Haar kamer was lichtblauw geschilderd en er hing een poster die ik al eens ergens anders gezien had. We probeerden te vrijen, maar dat ging niet zo goed omdat ik in slaap aan ’t vallen was. In die slaap droomde ik een droom waarin ik verloren liep en uiteindelijk op een afgelegen erf bij gevaarlijk volk terechtkwam. Toen ik daar een openstaande deur ontwaarde greep ik mijn kans en sloeg op de vlucht. Dat probeerde ik althans, want hoe hard ik ook liep, ik geraakte geen meter dichter bij de deur die zich inmiddels alweer aan ’t sluiten was.
Flor Vandekerckhove


[Hope uit de viswinkel is de bewerking van een verhaal dat ik eerder al geschreven had. Ik heb het hierboven niet alleen flink ingekort, maar ook op cruciale punten veranderd. Het maakt nu deel uit van een project waarin ik verhalen schrijf die zich in het milieu van de Oostendse beroepsvissers afspelen. Een aantal van die verhalen worden beleefd door vissers, andere door hun leveranciers (Elooi Valke en zijn vrouw) of hun afnemers. Voor wat die afnemers betreft vind je in de blog al stukjes over de viswijven (Molly de waternekker), visleurders (Hoe vorter de vis, hoe groter de versterving). Maar een verhaal over iemand uit de winkeldistributie had ik nog niet. Dat is nu rechtgezet. Wie meer verhalen uit deze reeks wil lezen, kan hier klikken. De link leid je naar 25 vertellingen.]
Een reactie plaatsen