zondag 9 augustus 2015

De derde man

De feiten zijn niet meer te controleren, maar dat belet niet dat we
ons een beeld van de schippersvrouw kunnen vormen.
Ze komen niet allemaal van mij, de verhalen die ik over het leven aan de Oostendse Oosteroever vertel, ik heb dat niet allemaal zelf meegemaakt of zelf bedacht. Veel is me verteld door vissers. Die vissersverhalen zijn soms waar, soms niet, maar meestal zijn ze zowel waar als niet. Dat komt doordat die verhalen in een orale traditie leven. Ze worden, tussen twee trekken in, verteld aan boord van ’t schip; in de kroeg worden ze vervolgens, tussen twee reizen in, aangedikt tot ze de contouren van een heldendicht gekregen hebben. Omgekeerd kan ook, ze worden uitgedund, want niet alles wat op zee gebeurt kan aan de wal verteld worden. En altijd is er die constante dat de bron onvindbaar is: de betrokkenen zijn overleden of ze zwijgen, de feiten zijn niet te controleren.
In mijn boek Amandine schrijf ik over doodslag aan boord van een vissersschip. Dat is fictie, want Amandine is een roman. Maar het verhaal is wel gebaseerd op iets wat me voor waar verteld is. Die vertelling gaat als volgt. We bevinden ons in een tijd waarin er een groot tekort aan vissers is, een bemanningstekort. Schippers die er alles aan doen om hun schip varende te houden hebben hun mannen dan niet voor ’t kiezen. Ze moeten nemen wat er is en soms is dat een matroos die onbekwaam is, soms is ‘t een mens waarvan je weet dat hij de sfeer aan boord verpest, soms is het een persoonlijke vijand. Dat laatste is het geval in dit verhaal. Aan boord bevindt zich de minnaar van de schippersvrouw. Daar heeft de crew geen weet van, behalve die ene matroos, uiteraard, die het met die vrouw doet. Maar ook de schipper-reder weet het, want er zijn dingen die echtgenoten niet gezegd moeten worden; een hoorndrager voelt dat aan, dat weten jullie ook wel. In het hoofd van de schipper rijpt een plan dat hij, drie dagen later, dicht tegen IJsland, ten uitvoer brengt. De minnaar loopt de hondenwacht. De rest van de crew slaapt. Kort voor de wissel van de wacht slaat de schipper zijn rivaal de kop in, smijt hem overboord en kruipt weer in zijn kooi. Huwelijk gered! Wanneer de wacht wordt afgelost is de minnaar onvindbaar. Er wordt alarm geslagen, de man wordt als vermist opgegeven en zal nooit weergevonden worden. Man over boord, da's erg, maar het gebeurt wel meer.
Het schip vaart verder, vangt in korte tijd buitengewoon veel vis, keert vlug weer naar huis. Daar wordt een onderzoek gestart, de crew wordt ondervraagd, niemand weet wat er gebeurd is, ook de schippersvrouw houdt de kiezen op elkaar, de daad blijft ongestraft… Maar niet helemaal.
De bemanning wordt weggekocht door andere reders. Da's ook gemakkelijk te verklaren, want als je 't toch voor 't uitkiezen hebt, dan ga je voor een schip waar niemand overboord gegaan is; je kunt dat bijgeloof noemen, maar 't getuigt vooral van gezond verstand. De stuurman trekt naar hier, de motorist naar daar, de scheepsjongen naar ginder, een matroos vindt links werk en een andere rechts. Het vaartuig blijft zonder bemanning achter. Het ligt aan de kaai. Da’s erg, want dat is roestend kapitaal, dat is een lening die niet afgelost wordt, dat is de bank die de schipper meedeelt dat diens vaartuig aan de ketting wordt gelegd. Dat is een schipper die geen uitkomst meer ziet, begint te drinken en in dronken toestand wartaal uitkraamt over een passionele moord die hij gepleegd heeft; een verhaal waarbij de enen met hun wijsvinger tegen ’t hoofd tikken en de anderen met hun ogen rollen. Zo’n vissersvaartuig dat aan de kant blijft liggen, da’s ook een curator die met het faillissement van de rederij belast wordt en er met de schippersvrouw vandoor gaat.
Flor Vandekerckhove

[Dit stuk maakt deel uit van een verhalenproject waarbij ik versteende vissersverhalen weer tot leven probeer te wekken. Wie er meer wil lezen kan hier klikken, op die plek worden er een twintigtal vermeld.]
Een reactie plaatsen