vrijdag 4 april 2025

Over zwaarden en ploegscharen

Links: de boeg van HMS Vindictive op de oostelijke strekdam van de Oostendse haven. Rechts: het standbeeld Let Us Beat Our Swords into Ploughshares is een geschenk van de Sovjet-Unie aan de Verenigde Naties. Het bronzen standbeeld, gemaakt door de Sovjet-beeldhouwer Evgeniy Vuchetich, werd in 1959 in het noordelijke tuingedeelte van de Verenigde Naties geplaatst.


Donderdag 3 april — Eb om 12.10. Wanneer ik om twee uur de wandeling aanvat is ’t alweer opkomend tij, maar er rest voldoende tijd om op hard zand te wandelen, over en weer van mijn huis in Bredene naar de oostelijke strekdam in Oostende. Daar verpoos ik een wijl tegen zo’n rotsblok dat de dam bijeenhoudt. Ik lees een stukje A.L. Snijders, mijn lievelingsschrijver, waarin hij een vers citeert, zeggend dat hij dat vers zo goed vindt omdat de vorm de inhoud meesleept. Terwijl ik nadenk of ik dat vers al dan niet aan mijn stukje toevoeg, kijk ik schuin opwaarts naar de strekdam, recht in de ogen van H.M.S. Vindictive, oorlogsresidu dat onverwachts zegt: ‘Weer worden ploegscharen omgesmeed tot zwaarden.’ En ik wist niet eens dat oud-ijzer kon spreken. Thuis zoek ik nog dit Bijbelstukje op: Dan zullen zij hun zwaarden tot ploegscharen omsmeden en hun speren tot snoeimessen; geen volk zal tegen een ander volk het zwaard opheffen, en zij zullen de oorlog niet meer leren.’  ’t Zal precies nog niet voor nu zijn.

donderdag 3 april 2025

Wapperen

DE TANDARTSASSISTENTE DRAAGT een openstaand, wapperend schort. Erg professioneel is dat niet, zo’n wapperend schort, ah, de sector is niet meer wat hij geweest is. Ik wacht mijn beurt af. Om de tijd te doden bedenk ik een sportkar, merk MG, een T-model. Aan het stuur zit de onprofessionele tandartsassistente, haar schort wappert in de wind. Ze is op weg naar haar appartement op de Oostendse Oosteroever, naast haar zit een sexy spierbundel. Plotsklaps laat ik de MG-T reddeloos in 't sop wapperen. De oude man die ik ben is in zijn hoofd helaas niet altijd erg menslievend. (Flor Vandekerckhove)


’t Is iets wat ik wel meer wil doen, oudere verhalen weer ter hand nemen. ’t Is in dit geval een drabble geworden — verhaal van exact honderd woorden — en het oudere verhaal, waarvan Wapperen vertrekt, heet ‘Een sportkar van MG’, (2016), daar is 't een apothekersassistente die met d'r schort wappert en dat verhaal telt 370 woorden.
Zo heb ik zelfs weer een boek ter hand genomen, de roman AMANDINE. Ik heb er een e-boek van gemaakt, nog altijd 33 hoofdstukken, 231 bladzijden, meer dan 63.000 woorden. maar dan wel 10.000 woorden korter dan de originele versie van 2012. AMANDINE vertelt het epos van de Oostendse visserij en hoe die geschiedenis het leven van de ik-figuur tot vandaag tekent. Zoals alle e-boeken van De Lachende Visch is ook AMANDINE gratis. Schrijf naar liefkemores@telenet.be⇲ (vermeld de titel, zeg of je een pdf dan wel een epub-versie wilt) en vind het boek meteen in uw mailbox.

woensdag 2 april 2025

Michiel Hendryckx, een buitenhuis in Frankrijk

Een zomeravond in Les Tantes (Foto Michiel Hendryckx)

MIJN GENERATIEGENOTEN Josse De Pauw (°1952) en Michiel Hendryckx (°1951) hebben iets met mij (°1949) gemeen: een buitenhuis in Frankrijk. Over dat van Josse De Pauw schreef ik eerder al in De prijs van de artistieke vrijheid, over ’t mijne postte De Laatste Vuurtorenwachter meer dan vijftig stukjes en over ‘Les tantes’ van Michiel Hendryckx lees ik nu iets in de krant. (°) Ik herken wat Josse en Michiel over hun buitenverblijf zeggen, Josse De Pauw: stilte, afstand, landschap, dorp, bewoners, geschiedenis, mentaliteit, vertraagd leven en vooral ‘ik ben hier zo verschrikkelijk graag.’ Michiel Hendryckx heeft het minder ver gezocht, zijn huis bevindt zich in Montfaucon d’Argonne, ‘een blinde vlek met 350 inwoners in de rechterbovenhoek van Frankrijk.’ Daar rij je in een halve dag naartoe. Michiel: ‘Dit is wat ik hier kom opzoeken. Dit niets. Hier kan ik vluchten voor de moderniteit. Hier kan ik tijdreizen.’
Ik herken veel in wat Guinevere Claeys over Michiel optekent. Dat heeft niet per se met dat buitenverblijf te maken, maar ’t past in mijn zelfopgelegde taak: 'Deze vuurtoren belicht de verdwijnende wereld van een babyboomer/soixantehuitard.’ 
‘Ik heb mijn hele leven lang graag vrouwen gezien, en vaak meerdere tegelijk (…)’ Ja, dat herken ik wel, zo ging dat ‘in onze tijd’. ‘On ne guérit jamais de son enfance’, jamais is veel gezegd, maar een mens worstelt er inderdaad wel mee, en langer dan gewenst; ik herken Hendryckx' passage bij de vrijmetselarij, passage die bij mij kort van duur geweest is; ik herken de voldoening die hij ervaart als er een vervuld leven achter je ligt; ik ervaar de kwetsbaarheid eens je onze leeftijd bereikt. Er zijn ook verschillen: mensen stellen mij zelden teleur, omdat ik geen talent voor vriendschap heb; bij Michiel is dat anders, zijn verhalen over mensen ‘kantelen meermaals van een liefdesverklaring in een teleurstelling. Veel van zijn vriendschappen blijken uiteindelijk gebarsten.’ Iets wat ik niet zolang geleden zelf kon ervaren toen ik hem vertelde over een gemeenschappelijke kennis die van Gent naar Oostende verhuisd was, ja zijn reactie ten aanzien van die mens was heftig. 
Uit ervaring weet ik dat er een groot verschil is tussen een van 76, zoals ik, en een van 74, zoals Michiel. Twee jaar geleden had ik het me niet kunnen voorstellen dat ik m’n huisje in Vabre zou verkopen. Vandaag staat het te koop.
Flor Vandekerckhove

(°) Guinevere Claeys interviewt Michiel Hendryckx: “Nog tien jaar leven, dat zou mooi zijn. Zeker niet langer.” in DSWeekblad, 29 maart 2025. Aanleiding is de expo met werk van Michiel Hendryckx in de Sint-Pietersabdij in Gent. Nog tot 16 november. Er is ook een boek, Schoonheid als verzet, uitgeverij Hannibal Books, 2025. 

dinsdag 1 april 2025

Jan Huyghe, wie leest nu nog een streekroman

 Jan Huyghe in een reportage op de Tsjechische televisie, 1 december 2024. 

ALS UITGEVER VAN Het Visserijblad tekende ik al eens present op plekken waar ook anderen met publicaties leurden, zo ook Jan Huyghe die over vissers en boeren van de Westhoek schreef en dat trouwens nog altijd doet. Na mijn pensionering verloor ik hem ietwat uit het oog, maar niet helemaal, ook De Laatste Vuurtorenwachter heeft wel iets over Huyghe staan: Naar de hooipiete, Over Willem Lanszweert⇲ en De IJzervloed. We schrijven ook naar elkaar, Huyghe en ik, vandaar dat deze post met een briefje eindigt.
Jan Huyghe publiceert vooral non-fictie, zoals de biografie over Lucien Vanneuville. Hij schrijft ook wel verhalen en gedichten, en mocht hij zich aan een roman wagen, zou dat ongetwijfeld een streekroman zijn. Dat komt mij goed uit, in de nasleep van mijn provocatie in Romanschrijvers en hun pretentie(°) wil ik iets over streekromans zeggen. 
Beste Jan,
Al lang vraag ik me af of er geen heimatroman in u schuilt, zozeer zelfs dat ik me tegelijk afvraag of ge ’t al niet gedaan hebt. 'k weet 't, ’t is een genre dat pretentieuze schrijvers neerbuigend van zich af duwen, en zelf doe ik dat ook wel, maar gij moogt u dat niet aantrekken. 
Jan, ’t is niet dat we een nieuwe Ernest Claes nodig hebben, godver neen, één is meer dan genoeg geweest. Komt daar nog bij dat ik vind dat er te veel boeken gemaakt worden, in welk genre ook, en ge begrijpt dat ik mezelf een beetje tegenspreek. Maar als ik zie wat Chris De Stoop vandaag met zo’n streekroman doet, vraag ik me toch af waarom ’t niet meer gedaan wordt, bijvoorbeeld door u.
Ik herinner me mijn kennismaking met het genre. In mijn schooltijd kwam ik danig onder de indruk van Antoon Coolen: ‘Het kan zijn, dat de stormen spoken in de Sint Thomasnachten, en het kan zijn, dat midden in al dat geweld de stilte invalt van een dier zeer vroege avonden, als de ondergaande zon haar grote, rode vuren in de hemel ontsteekt. Dit kan alles zijn, maar nu, die allerlaatste adventsdag en de vigilie van Kerstmis, was het uit de hemel, die heel hoog grijs dicht zat, ineens gaan sneeuwen.’ (°°) Doet het u niet aan de grote Streuvels denken? Ouderwets? Dit is wat De Stoop in Dit is mijn hof(2016) zegt: ‘De natuur moet juist groter zijn dan wijzelf, ons overstijgen, ons wijzen op onze onbeduidendheid. Daarom trekt ze ons aan, fascineert ze ons, krijgt ze betekenis voor ons.’
Allee gauw, nog eentje. In De goede moordenaar (1931) leert Antoon Coolen ons hoe we moeten kijken: ‘(…) aan eenen viersprong van wegen stonden twee hooge canada's en twee hooge wilgen zoo mee zijn vieren bijeen in den trouw der jaren en in hunne standvastigheid. Door hun kruinen woeien alle winden, en in de stormen beefden en sidderden hun stammen van de geweldige innerlijke aandoening.’ 


 (°) Waarop ik al reacties publiceerde van Kris Verdonck, Koen Peeters⇲ en Kathelijn Vervarcke 

 (°°)  Antoon Coolen. De gouden webben (1957) hier in dbnl.

 [Foto hiernaast: Antoon Coolen, heimatschrijver, zo te zien een man van de wereld, toch.]