zondag 1 april 2012

Boele en de calvacade

De cavalcade in Bredene
(Foto Louis Vande Casteele)
[Herinneringen] — Een mens maakt wat mee. Je groeit op in een wijk waar iedereen elkaar bij de voornaam noemt en tegen de tijd dat je oud geworden bent, wordt diezelfde wijk bevolkt door onbekende medemensen afkomstig uit streken die je op de kaart niet eens kunt aanwijzen.  Het vraagt veerkracht om daarmee om te gaan. Dat niet iedereen die veerkracht opbrengt, mag blijken uit het eigenaardige stemgedrag dat de verkiezingen ons keer op keer weer openbaren.
Ik begrijp het natuurlijk wel.  Wij mochten destijds wel gedrild worden in het feilloos aanduiden van de Grote Gete en de Kleine Nete, maar van Tsjetsjenië of Azerbaijan had geen van ons gehoord. Waarom zou iemand ons op Tsjernobyl gewezen hebben? De kronkelende loop van Durme & Demer, dáár was het om te doen. Alles baadde in zekerheden. Stroomt niet al het water naar de zee?  En aan de zee, daar woonden wij. 
Nadenken was dan ook niet echt nodig, want God wist en zag alles.  Wij hadden alleen maar to go with the flow. Omdat er van enige flow evenwel geen sprake was, zaten wij muurvast. En alhoewel er een liedje bestaat dat van het tegendeel getuigt, kan ik je wel dit zeggen: ook toen was geluk heel ongewoon.
In de kerk zaten mannen rechts en vrouwen links.  (Links was ook de kant van het kwade.) Die mannen hadden in de kerk hun hoofddeksel afgezet, in tegenstelling tot de vrouwen die, zeker dáár, het hoofd bedekt moesten houden. Wij vonden dat normaal.  In de klas zongen wij nationalistische liederen. Wij vonden dat normaal. Wat Waals is vaals is, sla dood!
Wat ik zeggen wil: wij hebben niet zo goed leren omgaan met verschillen.
In heel mijn kindertijd heb ik op straat één zwarte medemens gezien. Dat was in de tijd dat we nog neger mochten zeggen. Hij tekende jaarlijks present op de dag dat de cavalcade door de straten trok (een cavalcade is een stoet).  Op de stoep stonden toeschouwers zich vele rijen dik te vergapen aan Vlaamse praalwagens en nog meer aan (de inderdaad indrukwekkende billen van) Nederlandse majorettes. Maar voor het zover kwam, passeerde daar eerst nog de pikzwarte Boele.  Hij had een mooi pak aan, glom van het zweet en leurde met snoep.  Terwijl hij voorbij de wachtende massa’s voortschreed, prees hij zijn waar aan, luidkeels ‘boules’ roepend. Van zodra we hem in ’t zicht kregen, begonnen wij, kinderen, opgewonden te roepen: ‘Boele is daar! Boele is daar!’  Want hij was de voorbode van de cavalcade. 
Dat hij ook de voorbode was van de verstedelijking, de globalisering en de interculturele maatschappij, konden wij niet weten.
Boele is inmiddels overleden, zo vermoed ik. De cavalcade gaat al lang niet meer uit en in de kerk mogen de vrouwen vandaag overal gaan zitten, zo veronderstel ik, behalve op de plaats van de pastoor of course
Flor Vandekerckhove
P.S.: Op 25 juni, lang na het publiceren van dit stuk, las ik een column van Ann De Craemer in De Morgen. In 'Het dorp bestaat niet meer' vertelt ze hoe haar vader in 1959 een man gezien heeft 'die hem altijd is bijgebleven en die op bijna alle plaatselijke wielerwedstrijden opdook: een zwarte man, toen nog "neger" genoemd, maakte zijn tochr langs dranghekkens met in zijn hand een doos snoepjes en schreeuwde luid "Karra Boeia, Karra Boeia, spekka voor de keela".' Dit zou voorwaar wel de Boele kunnen zijn die ik me herinner.


P.S.: Wie hieronder op het label 'herinneringen' drukt vindt in de blog nog dergelijke stukken. Wie op 'Bredene' drukt, vindt andere stukken over die gemeente.
Een reactie plaatsen