zondag 8 april 2012

Voil janetten (over identiteit II)

Bart De Wever

[Essay] — Het Vrije Visserijblad van mei publiceert een essay waarin ik pleit voor het ontwikkelen van een meerduidige en open identiteit in de laatste gemeenschap van beroepsjagers die Vlaanderen kent, de visserij. In dat stuk heb ik het over het symbolische en het imaginaire en over het belang van beide perspectieven (een idee die ik bij filosoof Hub Zwart haal); over de rol van het romantische en het passionele in het streven naar een betere toekomst (wat de marxist Michaël Löwy en psychiater Paul Verhaeghe mij geleerd hebben) en over het belang van ‘verhalen’ bij het vormen van een identiteit waarvoor ik uit een essay van Bart De Wever citeer. (1)
Het stuk dat Het Vrije Visserijblad publiceert is zoals gezegd een essay, een probeersel, een poging. Ik probeer daarin mijn denken over de visserij vorm te geven; het is een reflectie over een gemeenschap waarin ik ei zo na een kwarteeuw actief ben.
Op het eerste gezicht is zo’n essay niet interessant voor mensen die niet tot die vissersgemeenschap behoren, ook omdat die sector de jongste decennia dermate verschrompeld is dat het buitensporig lijkt er nog veel aandacht aan te besteden. Toch heb ik dat essay ook aan De Wereld Morgen aangeboden. (2)  Dat komt doordat een van mijn bronnen, met name het krantenstuk van Bart De Wever, onderwerp werd van een interessante polemische strijd (3), waarin, zo denk ik, zijdelings ook mijn stuk over de vissersgemeenschap past.
Bart De Wever is het natuurlijk om zijn nationalistische project te doen. Zegt hij: Toch verbinden wij het debat over de relatie tussen identiteit en geschiedenis bijna automatisch met nationalisme. Dit komt omdat de constructie van een nationale identiteit de ambitie heeft om een hele gemeenschap te omvatten. Nationale identiteit probeert een veelvoud van onderliggende individuele en groepsidentiteiten te overspannen in één verbeelde gemeenschap. De natie is een sociale constructie die via verhalen wordt opgeroepen in de hoofden van al haar leden.’
Zelf voel ik helemaal niet de behoefte om mijn individuele en groepsidentiteit overdekt te zien door een Vlaams dak. Derden die de ambitie hebben me die ‘overspanning’ te verkopen stuiten bij mij op weerstand. 
Naar aanleiding van een in memoriam dat ik in deze blog publiceerde over een overleden flamingant (4) schreef mijn vriend en historicus Rik D. me onlangs nog hetzelfde: ‘(…) ik kan flaminganten niet goed uitstaan omdat ik verondersteld word om iets (het Vlaming zijn) met hen gemeen te hebben. Wat nooit het geval is, want ik heb zo'n eenzaam traject afgelegd dat ik me op den duur meer verwant voel met een personage wiens archief ik beschrijf dan met die mens van “mijn” volk.’  Rik vindt de Vlaams nationale identiteit een achterhaalde en illusoire term die al te vaak tot foute dingen leidt. De Wever beschouwt die dan weer als het verbindend element dat onze samenleving vorm geeft. Ik denk dat Rik gelijk heeft.
In de politiek is de kwestie van de nationale identiteit echter bijzonder hot, zo blijkt ook uit de polemiek die het essay van De Wever oproept. Het gaat dan veelal over een Vlaamse identiteit versus een Belgische; een woordenstrijd tussen nationalisten van de ene en de andere soort. Die nationalisten worden dan weer tegengesproken door enige kosmopolieten die alhier ook rondwaren, alsook door een soort tussengroep die zich graag Europeaan noemt.
Wat meteen aantoont dat identiteit een ferm rekbaar begrip is. Je kunt voor deze of gene identiteit kiezen, in dat geval Belg, Vlaming, Europeaan of kosmopoliet (maar, waarom niet, ook Aalstenaar, gesteld dat je daar woont of vandaar afkomstig bent).  Dat gaat zo: je verbeeldt je een gemeenschap van Belgen, Europeanen, wereldburgers, Aalstenaars of Vlamingen. (En wellicht is het dat laatste, zoals het merkwaardige stemgedrag van onze medemensen wel duidelijk maakt.) Je hecht waarde aan het gemeenschappelijke verleden en aan gedeelde ervaringen van de gemeenschap naar keuze en je identificeert je daar vervolgens mee.
Wellicht doe je dat om het dagdagelijkse leven (métro, boulot, bistro, dodo) draaglijk te maken.  Het geeft je het gevoel deel uit te maken van iets wat groter, en vooral grootser, is dan het dagelijks geploeter waarmee je je staande moet houden.  Net zoals roken een strategie is om de stress onder controle te houden, zo is het aanmeten van zo’n overspannende en eenduidige identiteit een strategie om de zgn. ondraaglijke lichtheid van het bestaan te kunnen verdragen.
Vervolgens gebeurt er iets dat toch wel merkwaardig is.  De mens die zich zo’n identiteit toe-eigent gaat er zich vervolgens ook naar gedragen, waardoor hij ook door anderen herkend wordt als deel uitmakend van die verbeelde gemeenschap, waardoor die gemeenschap een… realiteit wordt.  Want er ontstaat nu een groep mensen die elkaar herkennen als zijnde van dezelfde soort. (5)
Misschien kan het begrepen worden door de termen ‘an sich’ en für sich’ van Hegel en Marx over te nemen. De arbeidersklasse is voor Marx een 'klasse an sich' (een groep mensen die omwille van haar plaats in het productieproces een specifieke maatschappelijke klasse vormt), maar daarom niet noodzakelijk een 'klasse für sich' (die zich bewust is van haar maatschappelijke positie en die van daaruit in actie kan komen). Kunnen we die redenering op andere identiteiten toepassen?  Mensen die in Vlaanderen wonen kunnen wellicht wel een gemeenschap an sich genoemd worden, net zoals diezelfde mensen, samen met hun Franstalige buren, ook een Belgische gemeenschap an sich zijn en net zoals de inwoners van Aalst Aalstenaars an sich zijn. Een gemeenschap ‘für sich’ worden ze pas als ze zich daarnaar gaan gedragen. De Vlaamse identiteit wordt dan niet gedragen door de mensen die in Vlaanderen wonen (gemeenschap an sich), maar door de flaminganten (gemeenschap für sich); de Belgische identiteit van haar kant wordt niet gedragen door Belgen (gemeenschap an sich), maar door de Belgicisten (gemeenschap für sich) en de Aalsterse identiteit wordt dan niet door de bewoners van Aalst gedragen, maar door de voil janetten.
Flor Vandekerckhove

(1) Voor Hub Zwart, zie http://www.woordenwisseling.com/tuinvijver.htm ; Paul Verhaeghe, schreef ‘Het verdorven genootschap. De vergeten radicalen van de verlichting’. Uitgeverij De Bezige Bij. Michaël Löwy, Marxisme et romantisme révolutionnaire: Essais sur Lukacs et Rosa Luxemburg. Uitgeverij Sycomore. U kunt Löwy over dat onderwerp zien en horen op het internet. http://vimeo.com/30642099 ; het essay van Bart De Wever stond in De Standaard van 24 maart: ‘Wat Lisa Simpson ons over onszelf leert’.
(3) Luc Huyse gaf in DS 31 maart een kritiek op het essay van De Wever in ‘Doe wel en zie om’. Op 2 april reageerde Karel De Gucht in hetzelfde blad: ’Si non è vero…’. Daarna gaf Bart De Wever in DS van 4 april een wederwoord: ‘Ze zullen hem niet temmen…’. In De Morgen van 7 april haalde Etienne Vermeersch er Christus bij om het over dezelfde problematiek te hebben: ‘Jezus Christus: waarheid of mythe?’. Ten slotte (?) reageerden ook de historici Koen Aerts, Berber Bevenage en Lore Colaert met ‘Ieder zijn verhaal’ in DS van 5 april. Al deze stukken zijn na te kijken op de websites van de betreffende kranten.
(5) Dat merkwaardige fenomeen heb ik zelf mogen ervaren: http://florsnieuweblog.blogspot.com/2011/12/over-identiteit.html

Een reactie plaatsen