woensdag 28 maart 2012

Over behang- en toiletpapier


[Leesnotities] — Ik had nog maar pas het (steengoede!) boek Ingenieurs van de ziel van Frank Westerman achter de kiezen, toen ik in de krant (DS, 28 mei 2011) een straf citaat van de Gentse fotograaf Carl De Keyzer omcirkelde: ‘De echte kunst is pas begonnen met het ontstaan van de vrije kunst, rond 1900.  Voordien werd bijna alle kunst in opdracht van de rijken gemaakt, dus dat was eigenlijk gewoon duur behangpapier, hoe fantastisch het ook is.’
Ik vroeg me af of zo’n boude uitspaak ook voor de literatuur mag gelden.  Was dat indertijd eveneens een hobby van rijke mensen? Wellicht wel. En als de oude kunst volgens De Keyzer behangpapier mag heten, hoe gaan we die boeken dan noemen?  Toiletpapier?
Daarover werd ook hard gediscussieerd in de begindagen van de Sovjet-Unie, zo lees ik in Ingenieurs van de ziel.  De dichter Vladimir Majakovski (*) had er een niet mis te verstane mening over. ‘Op alles wat voorafgegaan is zet ik de stempel: nihil,’ zo dichtte hij. Goed voor de haak in het WC, zo lijkt het wel.  Ook Maksim Gorki deed er straffe uitspraken over, zo lees ik eveneens bij Westerman: ‘De negentiende-eeuwse Russen hebben volgens hem waardeloze werken voortgebracht (…)’. Weg ermee!  In 1926 voegde Lenins weduwe dan ook een honderdtal boeken aan de censuurlijst toe, daaronder bevond zich ‘het bedwelmende oeuvre van Dostojevski’. (ik herinner me opeens dat Schuld en Boete ook in de nonnenbibliotheek van mijn kindertijd achter slot en grendel zat.)
Revolutionaire tijden vragen revolutionaire antwoorden. De vrije kunst die in het citaat van De Keyzer rond 1900 ontstaat, krijgt in de Sovjet-Unie tegelijk nieuwe critici: ‘Veehouders en aardappelpoters, het land nog onder hun nagels, werd gevraagd om opera en ballet te recenseren. Zo waren de tijden.  Schuchter schoven ze aan bij Tsjaikovski’s Zwanenmeer in het Bolsjoj Theater.’
‘“Het gaat over de liefde van een prins voor een prinses, en, als gevolg van zijn verraad, over een stervende zwaan. En dat in vier bedrijven,” noteerden ze na afloop op een enquêteformulier.  “Van alle saaie verhalen is dit wel het allersaaiste.  Hier zit werkelijk niemand op te wachten.” (…)’
‘Deze kunstkritiek stond in Arbeiders over literatuur, theater en muziek, een boek uit 1926 waarin het proletariaat afrekent met Poesjkin, Tsjechov, Tolstoy en “alles wat voorbij en afgestorven is”.’
Zelf vind ik klassiek ballet ook wel slaapverwekkend.  Maar zo simpel is het natuurlijk nooit. Ik doorploeter vervolgens het wereldwijde web en stoot daar op teksten van de Russische criticus Voronsky.  In een tekst uit 1923 (Sharp Phrases and the Classics, Regarding Our Literary Disagreements) heeft hij het over de waarde van de klassieken.  Ik probeer een stukje ervan uit het Engels te vertalen: Gribojedov, Poesjkin, Lermontov, Gogol, Tolstoj, Toergenjev en anderen waren dichters en schrijvers uit de lage adel. Dit staat buiten kijf. Betekent dit (…) dat de lezer zichzelf (…) moet bevrijden van hun kunstenaarschap, (…)? Maar ze waren echt grote kunstenaars. (…)  Ze geven niet de volledige waarheid, ze geven slechts een deel ervan.’ Maar, zo voegt Voronsky eraan toe, ‘dat is de manier waarop het altijd gaat (…).’ 
Begrijp: dat was zo in het verleden, maar dat is ook zo in de Sovjet-Unie waarin Voronsky leeft en schrijft.  Ik zou eraan toevoegen: dat is ook vandaag nog het geval, ook in Vlaanderen, ook in deze tijden waarin de kunst volgens De Keyzer vrij heet te zijn. 
Want kijk, weer viel mij toen een krantenstukje op. DS van 31 mei 2011 meldde dat de Vlaamse minister-president 2,5 miljoen euro op tafel legde voor mediaprojecten die ‘de positieve beeldvorming rond ondernemerschap bij het brede publiek stimuleren.’ In dat krantenstukje las ik verder dat o.a. Marc Didden daarbij in de prijzen viel. Hij mocht een van de scenario’s leveren.
Ik weet niet of De Keyzer zo’n mediaproject tot de kunsten rekent, ik weet niet of een scenario nog tot de literatuur gerekend kan worden en Marc Didden tot het kunstenaarsgild, maar dat krantenberichtje liet me wel aan het socialistisch realisme denken, maar dan aan een soort omkering ervan: het ophemelen van de Vlaamse middenstand.
Flor Vandekerckhove
(*) Over de dichter Majakovski schreef ik al in deze blog (zie blogberichten februari 2012)
Frank Westerman, Ingenieurs van de ziel, Elfde druk in 2010. Uitgeverij Olympus, Amsterdam.
P.S.: Wie op een van onderstaande labels drukt vindt soortgelijke stukken in de blog.
Een reactie plaatsen