dinsdag 12 mei 2015

Joyce, portret van de schrijver als Oostendenaar

Links, tussen de twee torens, staat Hotel Continental. Rechts ernaast: Hotel de l'Océan.
De wind giert rond het huis, de regen geselt de luiken, het haardvuur knettert, de clichés stapelen zich op; hoog tijd om Finnegans Wake uit de kast te halen. Dichter zal ik nooit bij een hobby komen en ja, ik heb er al menig barre winternacht mee zoet gemaakt. Dan ga ik in dat boek op zoek naar Oostendse woorden, want ik denk dat die daarin staan. 
In augustus 1926 brengt James Joyce zijn vakantie in Oostende door. Hij verblijft er tot 15 september. Eerst is dat in Auberge Littoral PalaceThe newest and most up-to-date — een erg duur hotel. Kamers kosten er ten minste 60 frank. Het gezin verkast dan ook gauw naar het Hotel du Phare waar je een kamer met pension voor 40 frank kunt krijgen. Wellicht is ook dat te duur, want uiteindelijk komt Joyce in Hotel de l’Océan terecht. De schrijver is er erg gecharmeerd door de portier die de telefoon opneemt met de woorden: Ici le portier de l’océan
Bekend is ook dat Joyce in Oostende vierenzestig ‘Vlaamse’ lessen volgt. Dat onderricht en het koeterwaals dat hij er opvangt laten sporen na in zijn notitieboekjes. Die worden door de kenners ook vandaag nog uitgevlooid, omdat Joyce ze als een alaambak gebruikt, waarin hij ‘t materiaal verzamelt dat zijn werken vorm geeft. In die werkboeken heeft Joyce inderdaad Vlaamse woorden genoteerd: marmels, kalvers, flerecijn, schaverdijnen, blood, somtijds, klak, oogst (als naam voor de maand augustus)… Er is ook een brief bekend waarin hij zegt dat hij een deel van die Vlaamse woordenschat zal gebruiken voor het personage van Sookerson, de knecht in Finnegans Wake. U ziet het: mijn vermoeden heeft een grond.
Heb ik dat Oostends gevonden? Neen. Finnegans Wake is een verschrikkelijk moeilijk te lezen boek. Het heeft mij enkele jaren gekost om alleen nog maar de titel te begrijpen. Het is literatuur waarin overdadig veel woorden moedwillig vervormd worden. Over de oorsprong van veel van die woorden zijn specialisten het trouwens tot vandaag oneens. Is de bron Vlaams, Nederlands, Duits? Of is ’t Zuid-Afrikaans? Alleen zo’n specialist kan weten dat Minnik’n pass op Manneken Pies slaat en dat chamermissies een neologisme is dat van kamermeisjes komt. 
In een van ’s mans werkboekjes vind je ook het even mooie als merkwaardige ‘All the shups ware to’. Hoor ik daarin de stem van een Oostendenaar die in een soort Oostends-Engels probeert uit te leggen dat alle winkels dicht zijn? Verder dan dat ben ik in mijn speurwerk helaas niet gekomen. Voorwaar een mager resultaat, maar de zoektocht blijft een aangename bezigheid, vooral wanneer de regen tegen ’t raam klettert, het vuur in de haard knettert en all the shups to zijn.
Flor Vandekerckhove

° Dutch in Finnegans wake. Geert Lernaut in James Joyce Quaterly, Vol. 23 N° 1 (herfst 1985).

Een reactie posten