vrijdag 22 mei 2015

Maskers, winkeliers en kosmopolieten

Felix Labisse, 1934, Grand carnival Ostendais.
Wat is maskeren, maskéren evengoed als màskeren, anders dan het afdekken van een gezicht? Het is iets waarover een mens filosofeert wanneer hij door de oeuvrecatalogus van James Ensor bladert. De schilder ziet die maskers liggen in het winkelhuis waar hij woont, maar het maskeren kenmerkt ook zijn stad, want Oostende is een oord met veel gezichten. De Oostendenaars maskeren die gezichten graag en tegelijkertijd maakt dat maskeren hen tot wat ze zijn. O contradictie: Oostende toont zich door wat het verbergt!  Misschien ziet koning Leopold II dat ook wanneer hij er in 1866 de zomer komt doorbrengen. En samen met de koning ontdekt de beau monde een stad die al vele eeuwen door een hard zeevolk bewoond wordt. Valt er een grotere maatschappelijke tegenstelling te bedenken? Valt het niet te begrijpen dat die contradictie gemaskeerd zal worden? En is het niet logisch dat het maskeren vervolgens de identiteit van de Oostendenaars vorm geeft — hen maakt tot wat ze zijn?
Neem de Oostendse commerçanten, een groep die noch beau monde noch zeevolk genoemd mag worden. Wie winkelier zegt, denkt niet meteen aan weidse zeeën of rondreizende kosmopolieten. Integendeel, je denkt aan een leven dat zich vlak naast de kassa afspeelt. Niet zo in Oostende! Daar toont de kleine zelfstandige ons een ander gezicht. De filmmaker Henri Storck (1907-1999) is actief in de ouderlijke schoenwinkel in de Adolphe Buylstraat, hij komt uit een geslacht van meester-laarzenmakers, maar hij wordt wel een pionier van de Belgische film. Zelf zegt hij daarover: ‘Als ik sedertdien een uiterst boeiend bestaan heb gekend, dat mij naar de 4 uithoeken van de wereld voerde, dan dank ik dat aan de vorming die ik mocht opdoen tijdens mijn kinderjaren en mijn jeugd, zo rijk en gelukkig, zo bont en fel voor zinnen en geest. Alleen Oostende met de waaier van zijn seizoenen en de eigenheid van zijn bewoners, het kolken van het artistieke leven ter plaatse, kon mij dit bezorgen. Soms liep ik te praten met de Noordzee en zwoer haar een cineast te worden, Oostende niet onwaardig ...’ De vader van de kosmopolitische dichter Henri Vandeputte (1877-1952) komt uit Brussel naar Oostende afgezakt om er, op de hoek van de Langestraat en de Vlaanderenstraat, een filiaaltje te openen waar hij linten en zijden prullaria verkoopt, ‘rubans et soieries’, voorwaar een leven dat in centimeters afgemeten wordt, maar zijn zoon Henri zal wel een indrukwekkend literair oeuvre nalaten dat twaalf boekdelen beslaat. Mathieu Corman (1901-1975) heeft in de Adolphe Buylstraat een goeddraaiende boekwinkel, maar vindt wel de tijd om in Spanje tegen de opstandige generaal Franco te vechten. De Franse familie Labisse komt naar België om er van de vis te leven. Vader sticht een rederij en stuurt zijn zoon Felix naar de visserijschool in Oostende, maar Felix Labisse (1905-1982) wordt geen visser, wel een internationaal gerenommeerde kunstschilder. Journalist-dichter Henry van Vyve kun je dan weer aantreffen in de kunstgalerie van zijn echtgenote. James Ensor (1860-1949) gedijt in een wereld van souvenir- en schelpenwinkeltjes.
Adolf Buylstraat 32. Het ouderlijk huis van
Henri Storck.
Al die kunstenaars vinden inspiratie in de vele gezichten die de stad tegelijk toont en verbergt. Auteur John Gheeraert beschrijft die wanneer hij zich in De geheime wereld van James Ensor een wandeling verbeeldt die de jonge James doorheen Oostende voert: ‘In de zijstraatjes rond de vismarkt woonden de mensen in oude en overbevolkte huizen. Voor hen was er geen zomerpret. In deze buurt had de cholera-epidemie door de armoede en het alcoholisme het hardst toegeslagen. Niets van dat alles ontsnapte aan de scherpe observerende blik van de jonge James: een afgejakkerde hond die een te zwaar beladen karretje trok, een oude vissersvrouw die zat te breien in de zon onder een kruisbeeld, een krom gewerkte visser. Elke keer als de broodmagere silhouetten in een deuropening verschenen, stond de jongen even stil, maar zijn vader drong telkens aan om door te gaan. De plaatselijke kranten vermeldden nauwelijks iets over de cholera-epidemie, want ze wilden de rijke badgasten niet afschrikken, maar het was beter voorzichtig te zijn.’ Dit is waarlijk Oostende: de badgasten mogen niet afgeschrikt worden, de burgerij houdt afstand van het gemeen. Al die gemaskeerde tegenstellingen op een morzel grond! Papa houdt zijn jongen weg van het gevaar, maar de volgende paragraaf baadt alweer in puur avontuur: ‘Vader Ensor deed plots zijn schoenen uit en vertelde zijn verbijsterde zoon dat hij vlug naar de overkant van de havengeul wou zwemmen. ‘Ik ben dadelijk terug,’ zei hij. En met zijn kleren aan, op zijn schoenen na, sprong hij in het water. De jongen was een en al verbazing. Weldra zag hij het hoofd en de zwarte baard van zijn vader dobberen over het water. James Frédéric zwom met een krachtige en wilde slag, terwijl hij zich heen en weer wentelde. De hele havengeul glom onder het zonlicht. Toen hij aan het Oostenhoofd aankwam, rustte hij wat uit bij een houten paal. Na een korte onderbreking keerde hij met dezelfde forse slag terug. Hierbij had hij nog de kracht om even te wuiven naar zijn bezorgde zoon. Ten slotte klom hij aan land. Doornat trok hij zijn schoenen aan.’ In twee korte, opeenvolgende paragrafen heeft John Gheeraert de vele gemaskeerde gezichten van de stad beschreven: volks en burgerlijk, braaf en avontuurlijk, leugenachtig en oprecht, groots en kleingeestig, inspirerend en saai, laf en moedig. Goed gedaan John!
Flor Vandekerckhove
(Met dank aan Patrick Vanslambrouck [Fonds Henri Storck] voor de info.)
Een reactie plaatsen