zondag 17 mei 2015

Stort

Tegen de tijd dat ik mijn legerdienst moest uitzingen was ik al in de echt verbonden. Daardoor mocht ik het in België doen; in Gent, op loopafstand van de echtelijke woning. De kazerne was een hoofdkwartier. Veel beroepsmilitairen. De dienstplichtigen die er toefden waren net als ik getrouwd en ze hadden, anders dan ik, flink doorgestudeerd. De toen veelbelovende jonge politicus Luc Van den Bossche maakte er zijn tijd rond, er was iemand die iets deed bij de Jonge Economische Kamer, Marc Antrop was toen al een kei in het duiden van luchtfoto’s en er was die Van der Smissen die uit een familie van auto-importeurs kwam. Ik zal niet zeggen dat zo’n gemeenschappelijke ervaring je tot vrienden maakt, maar je hebt toch iets om je gezamenlijk aan te ergeren: de troep! Afgezien van die troep hadden we maar weinig met elkaar gemeen. Aparte gevallen waren we, maar Van der Smissen was toch nog iets meer apart dan de rest. Aan zijn Nederlands was te horen dat hij het zelden sprak, aan zijn bewegingen was te zien dat hij het weinig deed en zijn humor was anders dan de onze. Tot dan toe had ik gedacht dat auto-importeurs garagisten waren, maar hij leerde me dat het een zaak van de grote burgerij was. 
Antrop en ik werden uitgenodigd om bij hem thuis iets te komen eten. Wij daar naartoe met onze respectievelijke echtgenotes. Lag er zilver op tafel? Dat herinner ik niet. Kristal op de dis? Ik zou ’t niet meer weten. Maar je kwam er wel in een andere wereld terecht, een die compleet aan de sixties voorbijgegaan was, een wereld waarin jonge mensen zich blijkbaar ongegeneerd als hun ouders gedroegen, een echtgenote die het Nederlands onmachtig was, tafelmanieren die met onze jeugdige leeftijd vloekten. Afschuwelijk was dat samenzijn daarom niet, maar veel redenen om daar lang door te zakken waren er evenmin. Meteen na de koffie werd het toch alweer eens tijd om op te stappen. ‘Want’, zo zei ik lachend tot de gastheer, ‘morgen komen ze ’t vuil ophalen; je moet de vuilnisbak nog buitenzetten.’ Daar sloeg ik de bal toch mis. In het portaal vertelde Van der Smissen me immers dat hij een procedure tegen de stad had aangespannen omdat die van hem een huisvuilbelasting eiste. Neen, hij vond niet dat hij zich daarmee boven de wet stelde. Wel erbuiten, want hij had de dienstverlening van de stad niet nodig. Hij zette de vuilnisbak nooit op straat, hij bracht die naar het privéstort van de familie.
Terwijl de nacht over de stad viel reden mijn echtgenote en ik naar huis. We deden het in stilte, want we hadden iets om over na te denken, al konden we niet meteen zeggen wat dat was. Aan de overkant van het dok braakte een fabrieksschouw rook uit. Het was een stikkend hete dag geweest en de stad rook naar verderf. Thuis zette ik de vuilnisbak op straat, een buurman deed hetzelfde.

Flor Vandekerckhove
Een reactie plaatsen