zaterdag 5 september 2015

De Roeschaard van Gaston Duribreux

Al meer dan een week zit ik ondergedompeld in de wereld van Stijn Streuvels. Wat begonnen is met een zoektocht naar ’s mans bakkersverleden, heeft me naar een vissersverhaal geleid dat Streuvels in 1927 geschreven heeft. In dat verhaal komt de roeschaard voor, wat me dan weer naar een oude Blankenbergse sage gevoerd heeft en ’t is alzo dat ik me gaandeweg herinnerd heb dat Gaston Duribreux een roman onder die naam gepubliceerd heeft, een boek dat ik al vele jaren ongelezen in mijn kast heb staan, maar dat ik nu, terwijl ’t toch heel de tijd aan ’t regenen is, helemaal verorberd heb. En kijk, nog ben ik Streuvels niet kwijt, want Duribreux opent zijn verhaal met een citaat van de meester die over de roeschaard zegt: ‘… De kwade geest die de zeelieden aan wal zit af te wachten.’ Waaruit blijkt dat ook Duribreux het vissersverhaal van Streuvels gelezen heeft, want dat citaat komt uit die vertelling. Duribreux’ verhaal speelt zich overigens af in 1928, een jaar nadat Streuvels zijn verhaal gepubliceerd heeft. Mag ik daaruit afleiden dat hij zich rechtstreeks door de bakker-schrijver heeft laten inspireren? Misschien wel ja.
Het boek De Roeschaard (1943) laat me een beetje aan de Britse film In Bruges denken, een prent die ons alle hoeken en kanten van Brugge laat zien. Dat doet Duribreux ook, maar dan met Oostende. We volgen het hoofdpersonage, Manjerik Pincket, langs de Vischmarkt, Groentenmarkt, Capucienekerk, Maagdengang, sprotfabriek, Schipperstraat, het Boschje, Hertstraat, Cirkelstraat, ’t Lijnbaanstraatje, Zwijnemarkt, Nieuwstraat, Kapellebrug, de volksche Vuurtorenwijk, Kapellestraat… In het eerste deel kun je dat rondzwerven alleen met het West-Vlaamse woord tjolen benoemen. Dat tjolen komt doordat Majerik en de andere Oostendse stadsvisschers, door het slechte weer al drie weken geen zee meer kunnen kiezen: ‘De visscherij is dood, hemelste stakestijf dood! En geen berechten meer aan. (…) De sneeuw houdt niet op, nooit!’ Vissers die de zee te lang missen worden een probleem: ‘Visschers worden truntiger dan vrouwen wanneer ze te lang aan wal blijven.’ Dan begint de roeschaard hen parten te spelen. De kwelgeest die in het verhaal slechts één keer bij naam genoemd wordt, is bij Duribreux geen zichtbaar ding, zoals dat in de Blankenbergse sage wel is, maar een soort Weltschmerz, een gevoel dat met piekeren, zwartgalligheid en escapisme gepaard gaat. ‘Het lijze schuren van de sneeuw langs het raam, het nauw hoorbaar bonzen op de ruit, het vermoeden alleen van dat geluid, kwelt de halfwakende visschers. Enkelen draaien zich op een andere zij, doen hun ledikant kraken, nijdig en norsch in hun nachtmare. Anderen ontwaken ineens zonder merkbaren overgang, richten zich op en stappen met gesloten gelaat naar het venster. Hun rode onderbroek vlekt donker. (…) Ze voelen zich alleen met den nacht, met het oneindig ontastbare, met Hem.’
De opmerkelijke mededeling dat vissers rode onderbroeken dragen, mag ons niet afleiden van het gevoel dat Duribreux hier opwekt. Dat treft ook Manjerik. Maar hij weet het na enige tijd wel van zich af te schudden: ‘Geen Roeschaard! Ook geen twijfel meer, geen ingebeelde benauwenissen, geen belemmeringen die doen zweeten, die een vage zinnelijkheid doen opborrelen in het verhitte lijf (…) Thans weet hij meer. Hij is als één die denkt en voelt dat strijden is buiten zichzelf treden.’
Want Manjerik heeft inderdaad een strijd te leveren. Hij heeft vernomen dat zijn vader niet verdronken is, zoals hij dat twintig jaar lang gedacht heeft, maar vermoord werd. De moordenaar zou de visser Constant Ghouwy zijn. Manjerik brengt Constant voor een soort volksrechtbank ter zeevisserij en geraakt hoe langer hoe meer overtuigd van ‘s mans schuld. Hij zal zich wreken, maar wordt daarin gehinderd door het nageslacht van Ghouwy; zowel diens zoon als zijn dochter proberen, elk op hun manier, hun vader tegen de wraak van Majerik te beschermen. In de boeken van Duribreux kan een mens zijn lot echter niet ontlopen. Opgejaagd als hij is door Manjerik en zijn kompanen, sukkelt Constant Ghouwy uiteindelijk in ’t water. Hij verdrinkt. Gezelfmoord worden lijkt me er ook een passende omschrijving voor te zijn.
Flor Vandekerckhove


Een reactie plaatsen