dinsdag 15 september 2015

Wat een sierk!

Op de achtergrond zien we de eerste vismijn van Oostende. Omwille van zijn ronde vorm werd hij door de Oostendenaars
meteen de sierk genoemd. Rechts van de poserende vislossers staat de fameuze vistrein klaar om de waar tot ver
in 't binnenland te transporteren. (Met dank aan Dirk Reunbrouck voor het leveren van de foto.)

Meer dan tachtig jaar geleden, in 1934, werd er op de Oostendse Oosteroever voor ’t eerst een vismijn gebouwd. Die kreeg het tijdens de oorlog erg te verduren en nadat het stof van ’t krijgsgewoel gaan liggen was, moest hij heropgebouwd worden. Ik heb de geschiedenis van dat gebouw eerder al beschreven en dat stukje vind je hier. Maar voor er een vismijn op die Oosteroever stond, had Oostende een andere. Die lag in de stad, vlakbij de plek waar nu het treinstation staat. Omwille van zijn ronde vorm werd die vismijn door de Oostendenaars meteen de sierk genoemd. ('t Waren niet alleen de vissers die een bijnaam kregen.)
In die cirkel hadden de rederijen ateliers waarin de grootste hun eigen visafslag organiseerden. De namen zijn legendarisch: Bauwens, Baels, Aspeslagh, Lauwereins… Andere reders hadden geen eigen afslag, maar ze huurden daar wel een pakhuis en ook die namen laten in de visserij vandaag nog steeds een belletje rinkelen: Vroome, Golder, Hamman… Verder waren er in die sierk ook nog kantoren voor de vismijndirecteur en de administratie.
In de omgeving van de sierk waren er nogal wat cafés: het Meivisje van Verbanck, het Geel Huis (Maison Jaune), de cafés van Henri Lauwereins, Philomene Deckmyn, Pros Peelaert en Cavereel… Mede doordat de burelen in de vismijn verre van aangenaam waren, werden er in die omliggende visserskroegen nogal wat zaken afgehandeld. De vislossers werden bijvoorbeeld in die cafés uitbetaald, wat tot veel misbruik leidde, want wie geen pinten wilde drinken, moest maar elders werk gaan zoeken (dat er veelal niet was). Dat de praktijk uit de hand gelopen was, bewijst het feit dat de gewoonte uiteindelijk wettelijk verboden werd.
Met het verdwijnen van de sierk, in de jaren dertig, verdween ook het sociaal leven uit de wijk. De Bredense volkskundige auteur Richard Verbanck zegt het zo: ‘Een groot gedeelte van het oude kaaikwartier en de stadsdokken lag lijk vermoord. Het vroeger zo intense leven in de herbergen rond de vismijn kreeg de genadeslag. Het menselijk contact dat aldaar had bestaan tussen allen die werkzaam waren in het visserijbedrijf werd genadeloos afgebroken. Even trachtte men de schijn op te houden, maar het hart was dood voor goed.’ En waarom moet ik bij die woorden eigenlijk weer aan die andere vismijn peinzen, met name aan deze op de Oosteroever, die algauw afgebroken wordt?
Flor Vandekerckhove
Een reactie plaatsen