dinsdag 1 september 2015

Stijn Streuvels bij de vissers

De vissersverhalen die ik nu aan 't schrijven ben komen volgend jaar in een boekje terecht. In dat boekje moet ook een kerstverhaal staan. Stijn Streuvels zou dat beamen, want ook hij heeft een kerstverhaal over vissers geschreven. In De drie koningen aan de kust (1927) volgt hij drie matrozen die vlak voor kerstdag uit de sloep geschud worden: ‘Achter hen lieten zij de booten, die er twee dagen in volledige zondagrust zouden gemeerd blijven’. Streuvels levert ons een impressionistisch tableau van de wereld van de zeilschepen: zwarte kielen, roode zeillappen, opgehangen boven netten als tullen sluiers gloeiend bruin, en daarboven een bosch van masten, met een wirwar touwen en takelwerk, – al om ’t even zwart en net tegen ’t oranjevuur van de avondlucht gepenseeld, doorstippeld, bespat en besmeerd met tikkels en vegen, vaantjesgewapper van blauw, wit, rood, groen tegen toppen van masten, ra-zeilstokken, speierend en zingend boven de geboende, rondbuikte kielen, – ’t geheel als ware ’t met verfstrepen eener kleurdoos op een kinderboek geschilderd; – heel de vermengelde, dooreengekloeriede, donkere klomp zwemmend op de vettige olie-soep van ’t drubbele, (…)’ enzovoort enzovoort enzovoort (drie keer).
Streuvels zegt niet in welke stad het scheepje afgemeerd wordt, maar ’t is in een haven waar de sloepen alle gebroederlijk naast elkaar geschoven, tegen den kaaimuur vastgemeerd, gescholen en veilig’ liggen. In die tijd heeft België drie vissershavens, Oostende, Nieuwpoort en Blankenberge. Ik vermoed dat Streuvels het over Blankenberge heeft, want verder in 't verhaal is er sprake van de Roeschaard, een Blankenbergse kwelgeest. Maar de drie vissers wonen niet in de havenstad. Ze wonen, zegt Streuvels, in een dorp. Misschien zijn ze wel van Uitkerke.
In dat dorp leven ze aan de zelfkant en veel kerst valt daar voor hen niet te vieren,:‘Waarom ook? Kerstdag had geen de minste beteekenis voor hen’. Liever trekken ze de boer op: ‘We moesten ons gedrieën t’avond eens ’t land in…’ De verwachtingen zijn groot: ‘smulpartijen ten boere’, ‘wafelbak in elk huis’, ‘jenever drinken zooveel ‘t hun lustte’. Met enkel ‘het klutske deelvisch in een netzak’ wagen ze zich in het ‘eenmalig blakke sneeuwland met den zwarten einder’. Na lange tijd ontwaren ze een herenboerderij. Door ’t venster zien ze de ‘geurigen damp van gebakken vet en heete wafels, – terwijl de jeneverflesch de ronde deed!’ Maar niet voor hen, want de waakhond jaagt hen het erf af. De tocht lijkt van kwaad naar erger te gaan. Ze ontmoeten een wanraakte spookgestalte die van terzijds genaderd kwam en hen den weg afsneed .’ Uiteraard denken de vissers dat het de Roeschaard is, een maritieme variant van de duivel, en geenszins te verwarren met de Osschaert. Bij nader inzien is ’t een vroedvrouw die op weg is naar een bevalling. Doodop vergezellen de drie de vrouw die door Streuvels plastisch omschreven wordt als een gebochelde kreutekasse van een wijf, een oud, versleten schramik, een vernukkelde slabberaaie’. Maar die kreutekasse wordt wel de ster die hen naar de stal leidt waar het kind geboren wordt. Als waren ze de drie koningen staan ze daar hun ‘klutske deelvisch’ af. De vis dient als kerstmaaltijd en de vissers ‘smulden gelijk koningen… aan hun eigen kost.’ Zo brengt Streuvels de vissers en het kerstekind bij elkaar. Het verhaal eindigt in een droom. En kijk, zo eindigt ook mijn eigen kerstverhaal, Kerst op de Oostendse Oosteroever, dat u hier kunt lezen. Maar in dat verhaal gaat het er helemaal anders aan toe. Alhoewel…
Flor Vandekerckhove
Een reactie plaatsen