woensdag 2 september 2015

Op zoek naar de Roeschaard

‘Men sprak van niet anders meer dan van de Roeschaard 
en zijn kwade perten.’ Afbeelding uit ‘Blankenberghsche Sage’ 
in Ons Volk Ontwaakt, 29 juni 1912.

In deze blog heb ik het al over verschillende plaaggeesten gehad. Veel van die kwelduivels komen uit het binnenland naar de kust gewaaid, vooral om er onze vissers te pesten. Uit Aalst bijvoorbeeld, waar hij Kledden genoemd wordt, is Kludde naar Oostende genomen. Daar is hij de bevallige Lolita Decludde geworden die in de Kleine Weststraat woont. Ik heb er een verhaal over geschreven, dat je hier kunt lezen. Waar de Waternekker vandaan komt is onduidelijk. Velen vermoeden dat het uit Mechelen is, waar een beroemde plek naar hem genoemd werd, Nekkerspoel. In Gent zijn ze dan weer zeker dat hij in hun Nekkersputstraat geboren is en in Berlijn heeft hij zelfs een standbeeld staan. Feit is dat hij ook in Oostende gezien wordt en wel op de Kapellebrug waar hij als een viswijf verschenen is. Osschaert is dan weer afkomstig uit Hamme, waar hij letterlijk op de rug van de mensen leeft. De plaatselijke pastoor heeft dat niet langer kunnen aanzien en slaagde erin hem voor negenennegentig jaar naar zee te verwensen. Wat meteen verklaart hoe hij aan de kust terechtgekomen is. Wie die Osschaert alhier echter probeert op te sporen komt van een kale reis terug. Dat heeft ook een Oostendse privédetective ervaren, een man die de eigenaardige naam Descheetelaeter draagt, een bijnaam uiteraard. Veel aangespoeld volk dus, maar een echte kustbewoner is de Roeschaard. 
Gaston Duribreux, de grootste Vlaamse leverancier van vissersromans, heeft trouwens een verhaal onder die titel geschreven. Dat speelt zich af in het Oostendse vissersmilieu en dat is een beetje vreemd, want de Roeschaard is niet van Oostende. In de Vlaamse volksverhalenbank vind je geen enkele Oostendse vertelling over dat fenomeen. De Roeschaard is van Blankenberge. Dat weet ik zeker, want de sage wordt al in 1912 beschreven in het tijdschrift Ons Volk Ontwaakt. In de Blankenbergse visserij, zo staat daar te lezen, wordt de Roeschaard voor het eerst ontwaard in 1791 in de vorm van een zwarte hond. Later neemt hij ook andere gedaantes aan: kat, ezel, visser, klein kind of grote kabeljauw. Hij is hoe dan ook altijd te herkennen doordat hij roes! roes! roes! pleegt te roepen en ook wel doordat hij tijdens zijn verschijning de neiging heeft almaar te groeien. Hij heeft veel netten gescheurd, boten laten kapseizen en vissers in ’t water getrokken. Men zegt dat het daardoor komt dat zoveel vissers van de oostkust een bijnaam hebben. Die zorgt er immers voor dat ze door de Roeschaard niet herkend worden, waardoor ze van zijn plagerijen gespaard blijven. Ons Volk Ontwaakt is daar heel duidelijk over: ‘Van dan af ontstond het gebruik de visschers te herdoopen.’ Dat zou oorspronkelijk met zeewater gebeurd zijn, onder het uitspreken van een welbepaalde formule, die eveneens in dat tijdschrift vermeld wordt. Ik kom niet zo gauw meer onder de indruk van het geschreven woord, maar die beschrijving heeft me zozeer geraakt dat ik mezelf gisteren ook met zeewater gedoopt heb, terwijl ik sprak & zei: ‘Ik doop u, / En Roeschaard, / Die leelijkaard, / Keere zich om, / Romme, dom, dom, / Uw naam is De Laatste Vuurtorenwachter.’ En tot hiertoe, zo moet ik zeggen, heb ik van de Roeschaard geen last meer gehad en met mijn verkoudheid gaat ’t ook veel beter. Ik moet maar eens een verhaal over die Roeschaard schrijven.
Flor Vandekerckhove
Een reactie plaatsen