zaterdag 5 november 2016

John D. Rockefeller, Diego Rivera, het ACV en ik

‘Het eerste wat een schrijver moet doen, is een andere vorm van inkomsten vinden.’ (Ellen Gilchrist)

— ‘Rockefeller Discovering the Lenin in Rivera Mural’,
van Miguel Covarrubia. Gouache en inkt op papier, 1933.
We zien een karikatuur van John D. Rockefeller, Jr.
die het portret van Lenin ontdekt op Rivera’s muurschilderij
Man at the Crossroads, in het Rockefeller Center, New York. —
In 1931 mag de Mexicaanse kunstschilder Diego Rivera in het Rockefeller Center in New York een muurschilderij creëren. Hij maakt een voorontwerp en John D. Rockefeller junior geeft zijn fiat. Toch schrikt diezelfde Rockefeller zich een hoedje als hij in 1933 aanschouwt wat er op zijn muur verschijnt. Rivera heeft — damned! —  een portret van Lenin in zijn Man at the Crossroads verwerkt.
Dat is wel het laatste wat Rockefeller wil zien, een portret van Lenin. Op zijn muur nog wel! Hij vraagt Rivera om de communist weg te schilderen. Rivera weigert. Rockefeller betaalt hem wat afgesproken is en laat tegelijkertijd heel het kunstwerk vernietigen. Het publiek krijgt er niets van te zien.
Je kunt nu wel luid BAH! en BOE! roepen, maar dat verandert niets aan het kunstenaarsleven zoals het is. He who pays the piper calls the tune. Mecenas Rockefeller heeft het geld, en bijgevolg de macht, om het kunstwerk aan het publiek te onttrekken. Op dezelfde manier heeft een stalinistische staat de macht om te bepalen welke roman je niet te lezen krijgt, net zoals de markt dat hier en nu bij ons doet.
Had Rivera daarop niet kunnen anticiperen, want je bijt toch niet in de hand die je voedt? Ah, was het maar zo simpel. De kunstenaar weet waaraan hij begint, maar niet waar hij eindigt. Daarin verschilt hij van de ambachtsman. Die maakt, de kunstenaar creëert. Het maken leidt naar zekerheden, creatie naar onzekerheid. Het eindresultaat van de creatie? Verrassing, verrassing! En voor Rockefeller valt die verrassing op zijn muur danig tegen.
Wat Rivera overkomt, heb ook ik eens meegemaakt. In 1993 leggen de arbeiders van een kleine Oostendse scheepswerf het werk neer. De staking zal bijna driehonderd dagen duren. Tijdens dat conflict komt de vakbondsafgevaardigde me vragen om een boek over de actie te schrijven, de christelijke vakbond ACV betaalt. Ik aanvaard de opdracht, op voorwaarde dat ik die vrijelijk mag invullen.
Ik laat me inspireren door Hans Magnus Enzensberger die in 1973 De korte zomer van de anarchie publiceert, een erg fragmentarisch opgevat werk. Mijn boek dat Kleine scheepswerf, grote staking heet wordt uiteindelijk een werkje waarin ik persoonlijke bedenkingen en dagboekfragmenten afwissel met krantenstukjes die het over die staking hebben.
De vakbondssecretaris probeert over mijn schouder heen mee te lezen, want hij heeft zo zijn eigen visie op dat boek. Ik begrijp wel dat die van de mijne verschilt, maar ik ben niet het soort mens dat tijdens het schrijven gemakkelijk andermans visie overneemt. Ik bescherm mezelf tegen de censuur die om het hoekje loert, in het ACV zullen ze het boek pas te lezen krijgen nadat het gepubliceerd is.
Resultaat: ik moet voor een soort katholieke vierschaar verschijnen die mijn werk in de ban slaat. De vakbond koopt de afgesproken exemplaren op, stuurt me met de cheque naar huis en steekt de boeken dezelfde dag nog in de snippermachine. Zestig jaar nadat Diego Rivera het in New York heeft moeten meemaken, maak ik op de Oostendse visserskaaien hetzelfde mee.
Misschien past het om dit stukje met een citaat van de Amerikaans-Britse dichter T.S. Eliot af te sluiten: ‘For us there is only the trying, the rest is not our business.’ Maar ik kan je verzekeren dat, als het over je eigen werk gaat, je toch luid BAH! en BOE! begint te roepen.
Flor Vandekerckhove
Een reactie plaatsen