zaterdag 12 november 2016

Met Hemingway in Parijs

— Zo moet de rue Mouffetard er uitgezien hebben toen Ernest Hemingway er rondfietste. —

Wanneer het geld op is keer ik uit Parijs terug naar huis. In Bredene probeer ik nu, met de hulp van Ernest Hemingway, toch nog een beetje Parijs bij me te houden. 
In 1922 woont Hemingway vlak bij het hotel waar ik deze week verbleven heb. Hij schrijft erover in zijn herinneringen die in 1964, na zijn dood, gepubliceerd worden: ‘Ik woonde in de rue Cardinal Lemoine op een bovenhuis van twee kamers die geen warm water hadden en geen eigen toiletgelegenheid behalve dan een antiseptisch reservoir dat niet oncomfortabel was voor iemand die gewend was aan een openluchtprivaat in Michigan. Met een fraai uitzicht en een goede matras met veren als comfortabel bed op de vloer en platen aan de muur die we mooi vonden, was het een gezellige, vrolijke woning.’
De rue Cardinal Lemoine, waarover Hemingway het heeft, begint op de Place Contrescarpe. Aan de andere kant van het plein is er de rue Mouffetard waar het hotel staat waarin ik gelogeerd heb. Ook die straat beschrijft Hemingway in zijn herinneringen, ‘die wonderbaarlijke smalle drukke straat die naar de Place Contrescarpe leidde.’
De buurt komt al eerder ter sprake in diens korte verhaal De sneeuw van de Kilimanjaro (1936). In de vertaling die in 1967 verschenen is heet die berg in ’t Nederlands Kilimandzjaro. Progressieve spelling veronderstel ik.
Harry, die met zijn gezellin in Afrika is om er te jagen, heeft daar een infectie opgelopen die hem nu met koudvuur opzadelt. Hij denkt dat zijn einde nabij is, ook omdat de gieren al aan ’t wachten zijn: ‘Het veldbed, waarop hij lag, stond in de brede schaduw van een mimosaboom en terwijl hij over deze schaduwplek heen naar de geel belichte vlakte keek, zag hij drie van de grote vogels obsceen gehurkt op de grond zitten en een stuk of twaalf door de lucht zeilen (…)’
— Op de begraafplaats Père-Lachaise sta ik bij de Mur des 
Fédérés waar 147 leden van de Commune zonder vorm 
van proces gefusilleerd werden. Hemingway heeft het erover
 in zijn verhaal. (Eigen foto) —
Hij denkt na over al de zaken waarover hij nog niet geschreven heeft. Over de Place Contrescarpe bijvoorbeeld, ‘waar de bloemenventers op straat hun bloemen verfden en waar de verf over het plaveisel stroomde (…) Hij kende daar toen alle buren, omdat ze allemaal arm waren.’
‘Je zag daar twee soorten mensen op dat plein: de dronkaards en de sportkerels. De dronkaards trachtten hun armoede te vergeten door te drinken (dat sprak nogal vanzelf), en de sportkerels door hun oefeningen. Zij waren afstammelingen van de Communards en zonder moeite volgden zij een zekere politiek. Zij wisten wie hun vaders hadden doodgeschoten, hun familieleden, hun broers en hun vrienden, toen de Versailles-troepen hun intocht deden en de stad veroverden na de Commune en allen doodschoten, die eelt op hun handen hadden, petten droegen of op andere wijze verrieden [sic] dat zij arbeiders waren. En in die armoedige buurt tegenover een Boucherie Chevaline en een wijnhandel, was hij begonnen te schrijven; dat was het begin van zijn literaire loopbaan. Van geen enkele andere Parijse buurt had hij zó gehouden (…)’ 
Of het daar nog altijd vol telgen van de Communards loopt valt sterk te betwijfelen, maar Hemingways voorliefde voor die buurt is ook vandaag nog gemakkelijk te begrijpen.
Flor Vandekerckhove


° Ernest Hemingway. Dag en nacht feest: herinneringen aan Parijs. Vertaald door John Vandenbergh. Amsterdam; Loeb, 1980. 
° Ernest Hemingway. De sneeuw van de Kilimandzjaro en andere verhalen. Vertaald door Hans Edinga. Amsterdam Uitg. Contact, 1967.
Een reactie plaatsen