dinsdag 31 januari 2017

Een Vlaamse poging om Donald Trump te begrijpen

— Na 'de man met het hoedje' komt 'de man met de pet': links Marc Coucke, rechts Donald Trump. —
Alom stelt men de vraag: welke mens is dat eigenlijk, de nieuwe president van de Verenigde Staten. Op het net passeer ik langs een debat. Daar buigt men zich over de vraag of Donald Trump een fascist is.
Trump heeft gewonnen, zegt mijn makker Enzo Traverso daar, doordat de kiezers het politieke establishment verworpen hebben, ze hebben dat gedaan door zich massaal te onthouden en door proteststemmen die gekaapt zijn door een populist. Traverso formuleert het mooi: ‘Trump is evenveel fascist als Occupy Wall Street en Nuit Debout communist zijn.’
Maar als Trump geen fascist is, wat is hij dan wel? Traverso: ‘Feit is dat Trump geen massabeweging leidt; hij is een TV-ster.’
Een TV-ster! Ik probeer het tot Vlaamse proporties te herleiden.
Ik ken de politieke gezindte van Marc Coucke niet, maar ik vrees het ergste. Stel dat hij een visioen krijgt waarin hij zichzelf als redder des vaderlands herkent. Overtuigd als hij is van zichzelf presenteert hij zich aan het kiezerscorps. De helft haakt af, omdat de verkiezingsstrijd nu al te belachelijk wordt, de andere helft overweegt een proteststem, al is het maar om sossen & kaloten een kloot af te trekken. Coucke twittert zich een weg naar de overwinning. Dan krijgen we een B.V. als minister-president, een TV-ster!
Ondernemend als hij is beslist Coucke meteen om aan de grensovergang van Rekkem een muur te bouwen. Als de Fransen die niet willen betalen dan verhoogt hij de invoerrechten op kazen en wijnen. Op het vliegveld van Oostende zitten intussen mensen vast die naar Benidorm geweest zijn, maar opeens niet meer mogen terugkeren. Zegt Coucke: 'Ze hadden maar naar Blankenberge moeten reizen. Eigen kust eerst!'
Dat alles maakt nog niet dat ik Coucke een fascist mag noemen en — als mijn analogie correct is — Trump evenmin. Maar hoe moet ik dan wel over Trump spreken & schrijven?
Misschien heeft Hannah Arendt daar wel een antwoord op. In 1978 publiceert The New York Review of Books, hier, enkele stukken uit een interview met de filosofe. Daarin citeert ze Brecht. ‘Als de heersende klassen,’ zegt Brecht, ‘toelaten dat een kleine schoft een grote wordt, dan bezorgt hem dat nog geen bevoorrechte positie in onze kijk op de geschiedenis. Het feit dat hij een grote schoft wordt en dat wat hij doet grote gevolgen heeft, draagt niet bij tot zijn grootheid.’ En verder zegt Brecht ook: ‘Wat zo’n schoft ook doet en zelfs al doodt hij tien miljoen mensen, hij is en blijft een clown.’  Waaruit Brecht besluit dat ‘grote politieke criminelen ontbloot moeten worden en vooral belachelijk gemaakt.’ 
Heeft Brecht gelijk? Dat weet ik niet, maar als hij gelijk heeft, dan heb ik hier en daar, alsmede her en der toch al mijn steentje bijgedragen. En kijk, nu doe ik het weer!
Flor Vandekerckhove

Een reactie plaatsen