dinsdag 11 april 2017

Mijn tijd-schrift


— Salvador Dali, De volharding der herinnering, 1931. —

Tijdens zo’n zwoele zomernacht, waarin het zweet in beken van je lijf loopt, stelde mijn vriendin me begrijpelijkerwijze de vraag hoeveel het haar zou kosten om een strandcabine te kopen, waarin ze zich kon ophouden om er van de zeebries te genieten. Ik kon haar geen antwoord geven. Ze vroeg me ook of het niet voordeliger zou zijn er een te huren. Die vraag kon ik evenmin beantwoorden.
Terwijl we die nacht zo over strandcabines aan het spreken waren kwam een jonge man het huis binnen. Daar dit in 1931 geschiedde en hij in 1904 geboren was, valt het gemakkelijk te berekenen dat hij zevenentwintig was. Ik wist ook wel wie hij was, die jonge man, maar ik kon me zijn naam niet herinneren.
Hij vroeg me wanneer zijn tentoonstelling door zou gaan. Ik wist niet eens dat hij een tentoonstelling had. Dat zei ik hem ook: ‘Ik weet niet eens dat je een tentoonstelling hebt.’ Dat vond hij merkwaardig, want ik had het er in Mijn tijd-schrift over gehad.
Hoezo Mijn tijd-schrift?’ vroeg ik hem.
Hij schudde onbegrijpend het hoofd, ging naar het achterhuis en kwam terug met iets wat ik niet herkende, maar waarvan ik toch moest toegeven dat het wel degelijk Mijn tijd-schrift was. Want wat stond er in grote letters op de kaft? Mijn Tijd-schrift.
De jonge man sloeg het open op een plek waar iets over zijn tentoonstelling stond. Daaronder stond mijn naam. Hij vroeg me of ik daar een verklaring voor had.
Die had ik niet. Het enige wat ik kon bedenken was dat ik in zo'n hete nacht veel vragen te verwerken kreeg waarop ik geen antwoord geven kon. In die zin verschilde de nacht nauwelijks van de dag. Ik zei hem dat ook: ‘Mijn nacht verschilt nauwelijks van m’n dag.’ Daarin gaf mijn vriendin me gelijk en we sliepen verder.

Flor Vandekerckhove
Een reactie posten