woensdag 3 mei 2017

Twee urnen

Hoe ze het voor elkaar gekregen hebben weet ik niet, want de gebeurtenissen dateren van na mijn dood. Over de protagonisten kan ik wel iets kwijt, die heb ik bij leven en welzijn goed gekend.
De ene heet Jacob, de andere Esau. Het zijn broers. Mijn broers. Daardoor ken ik ze zo goed, daardoor weet ik ook dat ze elkaar haten. Een erfeniskwestie? Misschien, misschien. Ik kan het me niet herinneren, want wie dood is herinnert zich omzeggens niets. 
Dat zouden ze niet mogen doen, elkaar haten, want dat is tegen hun geloof. Mijn broers zijn immers katholiek en ze zijn dat in de overtreffende trap, het zijn pastoors. U leest het goed, zowel Jacob als Esau oefenen het ambt uit. Jacob is pastoor aan de westkust, ’t land van de boeren. Esau vind je in kerken van de oostkust, tussen de vissers.
Zelf ben ik geen katholiek meer. Twee elkaar hatende broers die ook pastoor zijn, dat drijft een mens van het geloof weg, dat begrijpt u ook wel. Ik heb me zelfs laten ontdopen.
Ook heb ik toen vastgelegd dat mijn lichaam na overlijden de wetenschap toekomt. Dan voert de begrafenisondernemer je naar een universiteit, waar je in de diepvries ligt tot je bruikbaar bent. Dat kan lang duren, zo lang dat nabestaanden de uiteindelijke teraardebestelling aan zich voorbij laten gaan. Dat is ook wat ik toen gehoopt heb. Maar wat blijkt? Na de dood is je hoop van generlei tel meer.
Drie jaar na mijn verscheiden ontvangen mijn broers elk een brief die zegt dat ik helemaal opgebruikt ben en dat de stoffelijke resten afgehaald moeten worden. Waarna zich tussen Jacob en Esau een tweestrijd ontplooit.
Ik heb het al gezegd: hoe ze het juist voor elkaar krijgen, weet ik niet. Maar ze rijden uiteindelijk naar huis met elk een urne in de koffer; Jacob richting westkust, Esau naar de oostkust. In elke urne zit de helft van mijn as.
Zowel aan de west- als aan de oostkust krijg ik op dezelfde dag een zielenmis. Aan de westkust spreekt pastoor Jacob daarbij woorden uit die ik niet hoor, want ik ben dood. En aan de oostkust zegt pastoor Esau iets soortgelijks. Daar heb ik geen oren naar, want mijn oren zijn tot stof vergaan. En op allebei de plaatsen krijgen de gelovigen achteraf een bord soep aangeboden, linzensoep. Waarna mijn as op twee plekken verstrooid wordt, een aan de westkust en een aan de oostkust, een unicum in het begrafeniswezen! Dat heeft toen nogal wat stof doen opwaaien, niet alleen op die twee strooiweiden trouwens, ook in de pers. Maar je weet hoe ‘t gaat, intussen is ook dat stof alweer gaan liggen.

Flor Vandekerckhove
Een reactie plaatsen