donderdag 31 augustus 2017

De dag waarop Roberta Sparrow stierf

— Het doodsprentje van
Roberta Sparrow. —
’t Zijn de hondsdagen en er zit onweer in de lucht. Wanneer ik mijn fiets op gang trek steekt er een verschroeiend hete wind op die niets goeds voorspelt. Ik neem me voor om het bezoek kort te houden, zodat ik weer thuis ben als de hel losbarst.
In het woonzorgcentrum Jacky Maes, dat ik waarschijnlijk altijd Wackerbout zal blijven noemen, ga ik op bezoek bij Georgette, een achternicht van mijn vader en dus een achter-achternicht van mij.
We zitten in het salon op de tweede verdieping, Georgette in haar rolstoel en ik in een gerieflijk zeteltje. Ik word omgeven door wel twintig vrouwen. We kijken uit over de Duinenstraat, de bushalte, het plantsoen, de Keerweg en vooral over de luchten die dermate duister worden dat het erop lijkt dat Constant Permeke ze vlak voor onze neus aan ’t schilderen is. En we spreken over het weer: ’t is wel een weer hé, en: dat het geen weer is… Het soort gesprekken dat ik destijds met mijn vader placht te voeren, waardoor ik er erg goed in ben geworden: En dat het geen weer meer is als vroeger.
EEN SCHICHT! EEN KNAL! En een nauwelijks waarneembaar tijdverschil daartussen. De wereld staat een nanoseconde stil. De vrouwen schrikken en ik schrik met hen mee. Iemand slaat een kruis, iemand slaakt een vloek. Een nooit eerder gezien onweer raast over ons heen.
In de geesten van zij die rond mij zitten doemen beelden op uit lang vervlogen dagen, waarbij ze zichzelf weer rond het vuur zien zitten; jonge meisjes die naar grootmoeders verhalen luisteren, over doodskisten, kruisen en bloederige zwaarden, die bij nacht & ontij aan het firmament verschijnen, tekens dat het einde nabij is; een dreigement dat tachtig jaar later in hun hoofd herhaald wordt, en deze keer voor echt.
Heel het salon baadt in het duister. Heeft een bliksemschicht de elektriciteitscabine geraakt? En weer is ‘t gedonder niet van de lucht en weer splijten bliksems het gewelf open. Het venster wordt een waterval waar wij achter zitten en die ons van de wereld isoleert.
Her en der staan vrouwen op die schuifelend hun kamer opzoeken. Georgette vraagt me om haar kar te duwen. De bewoners gaan elk hun eigen gang, verzonken in persoonlijke gedachten die tegelijk deze van al de anderen zijn.
Nadat ik Georgette teruggereden heb en op haar vraag de deur heb dichtgetrokken, zie ik dat het salon op één vrouw na leeg is. Ze wenkt me. Wanneer ik naast haar sta fluistert ze me in het oor: ‘Elk levend wezen op deze aarde sterft alleen.’ Waarna ook zij zich in haar kamer terugtrekt.
In het rusthuis, dat ik nu woonzorgcentrum moet noemen, sterven die nacht drie bewoners. Wanneer ik de daaropvolgende week Georgette weer opzoek zie ik de doodsprentjes. Een ervan staat op naam van Roberta Sparrow. Op de foto herken ik de vrouw die me een week eerder gewenkt heeft.

Flor Vandekerckhove


— Donnie Darco. Regie en script Richard Kelly. USA 2002. 113 min. Patience Cleveland speelt het personage van Roberta Sparrow. —

Een reactie posten