zaterdag 17 maart 2012

Acht ultra korte hoofdstukjes en een proloogje dat zich achteraf afspeelt


Proloogje — Ik kon niets zien, maar andere zintuigen vertelden me wat er aan de hand was. Ik hoorde de rokken van de verpleegsters ritselen en ik voelde de lucht die zich verplaatste wanneer ze langs me heen liepen. Ik rook ontsmettingsmiddelen. Ik was in doktershanden.
Toen werd ik helemaal wakker. Ik voelde het bloed kolken onder het verband dat rond mijn hoofd gewikkeld zat. Ik keek om me heen en zag dat ik in een grote ziekenhuiszaal lag met wel vijftig bedden. De dokters droegen zonnebrillen en de verpleegsters spraken Frans.
Voor me stond de fotograaf. Zijn lange, blonde haar was in de war zoals altijd. Hij taxeerde me, pakte zijn toestel en nam een foto. Klik. Ik vroeg me af wat ik hier lag te doen, hoelang ik daar al was, wie de ziekenhuisrekening zou betalen, hoe de hond het intussen stelde en viel weer in slaap.

I — Alle zitplaatsen waren bezet met kranten, tijdschriften, asbakken en rotzooi. Op de grond lagen dag-, week-, maand- en advertentiebladen. Er lagen losse, geniete en gebonden bladen. Tegen de muur stond een racefiets. Op het bureau bleef geen plek onbezet. Ik zag pennen, potloden, latten, viltstiften, computerschijven, iets dat op schimmel leek en dat wellicht ook was, drie asbakken, koffiekopjes, een schaar, een fietspomp, een glas, een wekker, lege omslagen, een bierblikje, enig kleingeld, een sigaar, tandenstokers, markeerstiften, twee telefoons, een vlieg met zijn poten omhoog, een notitieblok, stapels foto’s, de restanten van een broodje gehakt, sigarettenvloeitjes… Het stof bovenop die spullen leerde me dat ze er niet van gisteren lagen. Het geheel wasemde een gebrek aan zuurstof uit.
Ga zitten, zei hij. De humor van zijn woorden ontging hem volledig. Ik bleef staan.  Ik had de redacteur al lang niet meer gezien en het viel me op dat de wallen onder zijn ogen groter geworden waren. De stress van de deadline, de concurrentie, boze lezers, kwaaie adverteerders, norse directeurs, onregelmatige werktijden, de penibele situatie van de krant, teveel drank, teveel tabak… een mens wordt erdoor getekend.
Een man kwam binnen. Hij schudde de regen van zijn jas. Hij zag eruit als een ouwe rocker, wat hij wellicht ook was. Lange, blonde lokken die de kale plekken niet helemaal konden camoufleren en waartussen roze plekken hoofdhuid zichtbaar werden. Een leeuw op zijn retour. Hij nam een stapel van een stoel, legde die bovenop de stapel van een andere stoel en ging zitten. Ik was verstomd door zoveel daadkracht.

II — Blij dat jullie gekomen zijn, zegt de redacteur, waar blijft dat mens met de koffie? Hij kijkt mij aan en ik kijk terug. Zo, zegt hij, hoe gaat het ermee? Ik antwoord dat ik moe ben.
En hoe gaat het met het schrijven? Ha! De klootzak. Hij weet heel goed hoe het met het schrijven gaat. Het gaat helemaal niet goed met het schrijven. Ik lig daar al negen maanden met een onuitgegeven roman en met stapels verhalen die niemand wil lezen. Stapels!
Het gaat, antwoord ik, het gaat.
Prachtig! roept hij en daarna verplaatst hij zijn blik naar de ouwe rocker. Heb ik het je niet gezegd? De man antwoordt niet en dus richt de redacteur zich weer tot mij.
Ik heb een formidabele zaak voor je. Echt iets voor jou. Je mag er een week op uittrekken. Gratis. Voor niets. Alles betaald door de Europese Unie, op kosten van de Gemeenschap. Frankrijk, Bretagne. Gratis man! Sjiek hotel, vervoer betaald. Zon. Een reportage over de teloorgang van de casino’s in Europa. En jij mag die maken. En hij maakt de foto’s.
Ik kijk vragend naar de man die naast me op de stoel zit. Een reportage over de teloorgang van de casino’s? Is dit een klucht? Hij zegt nog altijd niets. De redacteur vult de stilte op: Ik heb naar het weerbericht gekeken en het ziet er daar prachtig uit. Wat denk je? Zon, eten, drank, ambiance, Françaises.
Ik kijk naar buiten en zie de regen die genadeloos tegen het venster ramt. OK, zeg ik, wanneer vertrekken we? De redacteur glundert en zegt: Morgen.

III — Het was vijf over vijf, donker en nat en we reden de slapende stad uit. Ik had me ongeschoren, ongekamd en ongewassen naar de plaats van afspraak gehaast. De hond had ik thuis achtergelaten, maar niet voordat ik vijf dozen voer opengemaakt had en het beest uitdrukkelijk geïnstrueerd had ze niet allemaal ineens op te eten. Voor elke dag één.
Ik reed en de fotograaf reed mee. Ik meed autosnelwegen want de krant betaalde slecht en ik kon me de payages niet veroorloven. Van het landschap was nog niets te zien. Op de achterbank lag een tas met fotografenmateriaal. Al na tien kilometer viel mijn passagier in slaap.
Toen de ouwe rocker weer wakker werd, stonden we in een file. Het was inmiddels klaar geworden en al de Fransen waren op weg naar hun werk. En zo was het ook met ons. Af en toe kregen we vrije baan tot we weer in een volgende file terechtkwamen.
Naarmate we traag maar gestaag Frankrijk penetreerden en Normandië voor Bretagne wisselden, veranderde het landschap. Het had opgehouden met regenen en de ouwe rocker opende zijn raampje. Een droge wind waaide de auto binnen. Voorwaar, dit was Frankrijk.
Weer file. Terwijl we noodgedwongen stil stonden, zagen we hoe een knaap, buiten in een aflopende tuin, een aquarium aan ’t kuisen was. Hij deed het beneden, vlak naast de beek die daar kabbelde. De waterschildpadden had hij op het gras gezet en het vervuilde aquariumwater kieperde hij in de beek. De waterschildpadden waren groter dan ik me zo’n beesten voorgesteld had. De jongen had zijn twee handen nodig om ze vast te nemen. De fotograaf legde het beeld vast. Klik.
Op hetzelfde moment dat de ouwe rocker afdrukte, gleed een van de schildpadden in de beek. De jongen had het niet gezien, maar de fotograaf wel. Ik wilde de man feliciteren omwille van zijn fotografenreflex, maar toen kwam de file weer in beweging en schoven we verder in de richting van het seminarie over de teloorgang van de Europese casino’s. Het was het enige vermeldenswaardige voorval van heel de reis.

IV — Het is een havenstadje en in de baai liggen kleine vissersboten. We doorkruisen een wirwar van straten en rijden tot bij een gebouw waar een blauwe vlag met gele sterren zegt dat daar iets van de Europese Unie te beleven valt, wellicht een seminarie over de teleurgang van de casino’s.
Als wij binnenkomen kijkt niemand op. Ik ga op een vrije plaats zitten en de fotograaf loopt rond om alles op beeld vast te zetten. Klikklikklik. In de map die voor me ligt, zit alles wat ik moet weten om me er gemakkelijk vanaf te maken. Ik sluit mijn ogen en denk aan heel andere dingen dan de penibele situatie waarin de Europese casino’s zich bevinden.
Wanneer iedereen begint recht te staan legt de fotograaf een grote activiteit aan de dag. Her en der gaat hij handen schudden. Er wordt op zijn rug geslagen en in zijn wang geknepen. Uiteindelijk verdwijnt hij met een van de tolken en ik zie hem niet meer terug. Zelf ga ik mee met de bus die ons naar restaurant de la Plage zal brengen en nadien naar het hotel waar ik eindelijk een bad zal kunnen nemen.

V — Op het eten was niets aan te merken en de drank was ook voortreffelijk. Toen het tijd werd om naar het hotel te trekken, waren al de journalisten in een opperbeste stemming. Een van hen riep: Discothèque! Discothèque! Het zag er niet naar uit dat we al gingen slapen.
De chauffeur werd omgekocht en de bus toog op weg. De rit duurde drie kwartier en net toen ik dacht dat de mens zijn weg verloren was, zag ik in de verte, te midden een veld, als een vloek in het landschap, een helverlicht bouwsel, de discothèque.
De te luide muziek kon niet verdoezelen dat er, afgezien van de journalistenmeute, geen volk zat. Het interieur leek me naar de smaak van Cloclo ontworpen te zijn. Alles ademde kitsch uit. De verlichting pleegde een aanslag op mijn ogen. Een licht gevoel van walging maakte zich van me meester. Ik zag kleurige drankjes over de tapkast schuiven; cocktails waarvan ik de naam niet kende en die ik geenszins kon betalen. Dit was niets voor mij. Ik moest zorgen dat ik wegkwam.

VI — Buiten blijkt het inmiddels erg mistig te zijn. De autocar is op slot. Ik zie dat het erg laat geworden is.  Ik vermoed dat mijn collega’s het in de discotheek nog lang zullen uitzingen en ik loop de weg op om naar het hotel te gaan.
Na een kwartier kom ik op een kruispunt. Eerst loop ik de weg rechts op, maar omdat ik daar niets herken, kom ik op mijn stappen terug en besluit linksaf te slaan. Ook die weg leidt uiteindelijk nergens heen en ik besluit helemaal terug te keren. Weer naar de discotheek.
Na veel stappen herken ik het in de mist opdoemende silhouet van de danstent. Het gebouw wordt groter naarmate ik nader en wanneer ik er uiteindelijk voor sta, zie ik dat het intussen al gesloten is. De bus is nergens meer te bespeuren.
Dus keer ik op mijn schreden terug tot aan het kruispunt en kies daar voor de enige weg die ik eerder nog niet genomen heb, een minuscuul klein wegeltje. Gaandeweg versmalt het tot een strook die ik in de dikke mist tastend af moet lopen. Met mijn armen maak ik graaibewegingen om eventuele obstakels te ontwijken.
Het pad heeft nu opgehouden te bestaan en ik waad door struikgewas. Ik hoor slurpende geluiden. Opeens sta ik in het water. Natte voeten. Ik ben godverdomme in een gracht aan ’t stappen. Ik waad verder. De modder zuigt. Ik verlies een schoen en sta daar op één been als ware ik de reiger zelve. Ik steek mijn armen in de modder tot mijn mouwen nat zijn, maar vind de schoen niet meer terug.
Hinkend stap ik verder. Ik moet zorgen dat ik niet in cirkels loop, zo heeft Klein Duimpje me geleerd. Ik tast in mijn zakken en vind de papers van het seminarie. Ik trek er een blad uit en hang het een boomtak. Een beetje verder doe ik hetzelfde en blijf het doen tot ik weer op een weggetje terechtkom.

VII — Honderd meter verder stond een bord met een naam op. Ik was een gehucht aan ’t naderen. Mankend, steunend en zuchtend, mijn ene voet onder de bloedzuigers, kwam ik toe op een plek waar drie huizen stonden. Het oord oogde desolaat. Het eerste huis was leeg. Een uil vloog verschrikt op. Het tweede huis vertoonde evenmin enig teken van leven.
In het derde huis brandde een lamp. Door het raam, waar een fiets voor stond, keek ik naar binnen. Aan een tafel zaten drie mannen. Verwrongen gezichten. Handen als klauwen. Het soort volk dat achterblijft nadat iedereen uit een dorp weggetrokken is. Ze dronken absint.
Ik maakte een verkeerde beweging en de fiets ging tegen de grond. Verdwaasd keken de drie mannen naar het raam. Een van hen stond recht. Hij greep een houweel dat bij het vuur stond. (In Bretagne staat altijd een houweel bij het vuur.) Met langzame passen die me aan de roman Frankenstein lieten denken, liep hij naar de deur. Ik panikeerde, pakte de fiets en reed in volle vaart weg.

VIII — Beneden de heuvel waar ik mezelf aan het afgooien ben, zie ik een straatlicht. Moderniteit! Beschaving! Redding!
Bretoense fietsen hebben helaas geen remmen. Met een adembenemende snelheid duik ik op het straatlicht af. Om die paal te ontwijken, moet ik een scherpe bocht nemen.  Ei zo na ga ik tegen de grond. Ik voel mijn hart in mijn keel kloppen, maar het manoeuvre lukt en ik blijf in het zadel zitten.
Ik heb het stuur nu goed onder controle en zoef zonder te trappen, maar aan een waanzinnige snelheid, voorbij de lantarenpaal die een straat verlicht, een echte straat, een straat die ergens heen leidt. Zeventig per uur… Rustig ademen… Vijfenzestig… Héhé, daar ben ik mooi aan ontsnapt. Zestig.
Wat is… Vijfenvijftig… In de verte zie ik een tegenligger op me afkomen. Een autocar. Zou het kunnen… Ja, dat is de journalistenbus. Eindelijk komt alles in orde.
In het schijnsel van de volgende lantaarn en versterkt door de koplampen van de tegenligger zie ik, op een plek tussen mij en de autocar, iets uit het gras kruipen dat traag de weg opgaat. Ik rij zeker nog altijd aan veertig per uur en nader razendsnel het ding. Dat ding is… Het is een beest en het steekt de straat over. Uit volle borst slaak ik een kreet om het tot spoed aan te manen.
Het dier reageert verkeerd, blijft staan en kijkt recht naar mij, naar de fietser die hem toegeroepen heeft en die in volle snelheid op hem afkomt. Ik herken… neen, hoe is het mogelijk… Het aquarium, de jongen, de beek, de schildpad… Ik herken de grote waterschildpad. Vlak voor me op de weg blijft godver… miljaarde… godverdjuu… de waterschildpad staan die eerder die dag, zoveel kilometer verder, uit zijn aquarium ontsnapt is.
Ik moet kiezen tussen twee frontale botsingen, de autocar of de schildpad. Ik kies voor het beest, bots bovenop het schild en ga over kop. De autocar wijkt uit en komt in een gracht tot stilstand.  Ik maak een mooie boog, zie mijn leven in een flits voorbijtrekken en kom vijf meter verder op mijn hoofd terecht. Vooraleer ik het bewustzijn verlies, zie ik nog hoe de waterschildpad traag zijn weg vervolgt.
Flor Vandekerckhove
[Wie op een van onderstaande labels drukt vindt elders in de blog nog dergelijke verhalen.]
Een reactie plaatsen