zondag 11 maart 2012

Toekomstplannen

Niet heel onschuldige kinderen. 
Boven, van links naar rechts: Danny, Flor, Nicole.
Onder van l. nr r.: Marie-Jeanne, Rita, Josette.
In die tijd dacht ik dat ik met mijn nicht zou trouwen. We zouden samen in ‘t ouderlijk huis wonen, in de annex waar een klein appartementje ingericht was om zomertoeristen te ontvangen. Het appartement was al gemeubeld, dat kwam dus goed uit. Het zou een zorgeloos gezin worden, want wij konden onze echtelijke dagen aan een tafel doorbrengen die daar al stond, water opgietend in een koffiekan die daar al aanwezig was, drinkend uit kopjes die daar ook al klaar stonden. Misschien zou ik daarbij wel een pijp ontsteken, maar dat wist ik nog niet goed, want niet alle echtgenoten bleken een pijp te roken, zo had ik al opgemerkt, er waren er ook die sigaretten rookten. Met zekerheid wist ik dan weer wel dat ons huwelijk kinderloos zou blijven, want we waren zelf kind; het leek me al te gek om daar ook nog andere kinderen bij te bedenken. Er zat logica in mijn toekomstperspectief, maar van dialectiek had ik geen kaas gegeten.
Verliefd was ik daarvoor al op juffrouw Elvire Casier geweest, de kleuterleidster met overdadig veel krulhaar. Daar kon ik echter niet mee trouwen, want er waren ook andere jongens ‘op haar’. Allemaal eigenlijk. Bovendien was juffrouw Elvire al gauw weer weg. ’t Zal een interim geweest zijn. Voor de rest werd dat onderwijs bevolkt door nonnen waarbij ik me geen zwart krulhaar wilde voorstellen.
Die zomer werd de annex bezet door Jean en Yvonne, een koppel uit Brussel. Jean was pompier en Yvonne was een mooie, jonge vrouw. Ik dacht dat ik misschien beter met haar kon trouwen, omdat Yvonne toch al in dat appartementje verbleef. Ze was bovendien al groot en had een kindje van zichzelf, waarmee ik dan kon spelen.  Ik hoopte dat Jean nog diezelfde zomer in een brand zou omkomen. Wat hij niet deed, want hij was daar met vakantie en hij liet de branden aan zich voorbijgaan. Zelf wilde ik geen pompier worden, maar buschauffeur.
In september zat ik op de stoep te wachten tot de zusjes Praet passeerden, een lange en een korte, een norse en een lieve. Dat was een probleem. De lieve, korte Praet glimlachte me telkens toe en de norse lange keek steevast de andere kant uit, maar het was toch de norse die ik op het oog had; niet voor een huwelijk, want de zusters Praet zaten op een verkeerde school. Ik wist niet zo goed wat me tot haar aantrok, maar ik zat daar toch te wachten. Vele jaren later zag ik haar weer. Ze droeg toen een nauwsluitende patte d’éléphant en ik wist meteen wat me tot haar aangetrokken had. Ze keek weer de andere kant uit.
Mijn makker en ik hadden al spelend eens aan het broekje van een buurmeisje getrokken. Dat kind ging het thuis vertellen en ik kreeg van mijn moeder een pandoering waar ik lang niet goed van geweest ben. Ik wist niet waar ik dat verdiend had. Misschien kwam het wel omdat ik geen trouwplannen met dat meisje had. Na dat incident liep ik in een grote boog om dat kind heen en kon alleen maar hopen dat ze later een goede echtgenoot zou vinden, de klikspaan, maar ik vreesde ervoor.
Het kwam wel meer voor dat ik het niet wist. In een doos bewaarde ik een fotootje van Vera. Dat had ik gekregen van iemand waarvan ik de naam vergeten ben. Hij had verschrikkelijk veel puisten. Ik begreep niet hoe iemand met zoveel vieze puisten de foto van zo’n mooi meisje op zak kon hebben. We vonden het beiden beter dat ik die foto overnam. Ik wist niet zo goed wat ik ermee kon aanvangen, maar het had de aantrekkingskracht van een geheim. Ik bewaarde dat geheim in een geheime doos op een geheime plek. Op geheime momenten bekeek ik heimelijk het fotootje en vroeg me af of ik met Vera zou trouwen. Ik dacht van niet, want ook Vera ging naar een verkeerde school. Daar tegenover stond dat ik toch maar die foto had. Het leven was niet gemakkelijk.
In onze straat, boven de krantenwinkel, woonde Marie-Claire. Of zij op de juiste school zat, weet ik niet meer, maar ermee trouwen was uitgesloten, want Marie-Claire had schrik van honden. De schoolkwestie was daaraan ondergeschikt. Later heb ik op een volksbal met Marie-Claire de twist gedanst. Dat was wel leuk, maar ze had nog steeds schrik van honden. We moesten om 10 uur weer thuis zijn.
Kussen deed ik voor het eerst met een meisje waarvan ik, zoals een oude schlager het zegt, de naam vergeten ben. We zaten in het autowrak dat op mijn vaders erf stond. Vooraan zaten twee tongzoenende pubers en wij zaten achterin die twee te imiteren. Ik dacht er niet aan om met dat meisje te trouwen. Daar stond dat kussen helemaal los van (iets wat me later nog wel overkomen is). Dat zoenen vond ik trouwens maar niets. En al helemaal nadat ik na zo'n lange, goed geïmiteerde kus de ogen weer opende en ik mijn moeder door het zijraampje van de auto zag turen. Toen was de pret er helemaal af.
[Terwijl ik dit aan ’t schrijven ben, herinner ik me dat ik ergens een foto van die kinderen liggen heb. Drie kwartier later sta ik er met een loep op te kijken. De puberjongen heeft een hondje in de armen. Er staat tekst en uitleg op de ommezijde. Juli 1957. Ik ben acht. Ik sta bovenaan tussen de twee pubers, Danny en Nicole, die zo te zien nauwelijks de puberleeftijd bereikt hebben. Onderaan rechts, half geknield, zit mijn kusmeisje dat Josette blijkt te heten. Ik herinner me de andere twee meisjes niet, maar zie dat ze Marie-Jeanne en Rita genoemd worden. Ik plaats de foto bovenaan dit stuk.]
Ik fietste naar de schaatsbaan om daar naar de mulattin te kijken. Kroezelhaar. Ze zei me op te hoepelen, want ik kon niet schaatsen. Spijtig, want ze zat op de juiste school. Nadat ze me weggestuurd had, wist ik dat ze vooral een vat vol pretentie was. Dat was niet het geval voor Marie-Josee die me vroeg met haar pop te komen spelen. Daar kon ik wegens de verkeerde school niet op ingaan, wat me zeer verdroot, want Marie-Josee zag er een lekker meisje uit, zeer lekker. Ze trouwde uiteindelijk met een nozem.
Ik overwoog om pater te worden. Het was een geruststellende gedachte. Dan moest ik alleen maar voortschrijden in een bruine pij. Ik zat toch al op de juiste school en kende daardoor die paterliedjes al. En paters rookten allemaal een pijp. Was ik van al die onzekerheden verlost. 
Flor Vandekerckhove
Een reactie plaatsen