vrijdag 9 maart 2012

Lourdes

Jaarlijks verblijf ik enige tijd in Frankrijk, in een uithoek van de Languedoc. Aldaar betrek ik dan een huisje, tegen de bergflank aangebouwd, in ’t zicht van een dorp waarin gelukkig niemand op het onzalige idee komt er de leeuwenvlag uit te hangen, zelfs niet als er een koers passeert (wat daar wellicht evenmin gebeurt).
Lang mag ik daar nooit blijven, want ik heb van nature al de neiging als heremiet door ’t leven te gaan en het is bekend dat je de kat niet al te dicht bij de melk moet zetten. Daarom verplicht ik mezelf telkens om in de omgeving ook eens een stad op te zoeken.
Zo bezocht ik de voorbije jaren al Castres waar ze een goeie boekenwinkel hebben, Albi van waaruit de kerk een volkerenmoord wist te organiseren nog voor dat woord uitgevonden werd, Carcassonne waar een winkelstraat me teveel aan de Oostendse Kapellestraat liet denken, Toulouse waar er een Fnac is… Ja, ik ben overal nogal rap uitgekeken. 
Maar dan is er nog Lourdes! 
Da’s pas een leuke stad. En het begint al onderweg. Per afgelegde kilometer verlies je minstens een meter aan moderniteit. Uiteindelijk passeer je reclames die oproepen om Dubonnet te consumeren, een drank die, zo lees ik, nog altijd in Franse francs betaald dient te worden. Terwijl de tijd ergens halverwege de twintigste eeuw bevriest, stijg je zelf Pyrenee na Pyrenee ten hemel, En nadat je in de nabijheid van de boomgrens weer zo’n col overwonnen hebt, zie je opeens, vlak voor je, in het diepe dal, opdoemend uit het niets, een stad waar het wemelt van leven & vertier, frieten & bier.
Bedevaartsoord Lourdes! 17.000 inwoners, een getal dat me aan Bredene laat denken; maar ook 125 hotels en minstens evenveel souvenirwinkels, waardoor de stad zich toch beter afficheert als het Blankenberge van het katholicisme.
Ik zie een tros nonnen staan, jonge vrouwen in de fleur van hun vruchtbaarheid; habijt, witte lange kousen waarvan ik hoop dat het stay ups zijn en een kapje dat hen afschermt tegen haarfetisjisten die daar ongetwijfeld vertoeven, want de stad loopt echt vol ziekelijke mensen. Een van die nonnen rookt een king size sigaret (!), een beeld dat ik nooit meer kwijt geraak. Van een andere non krijg ik een knipoog.  Voorwaar, dit is wel degelijk een plek waar mirakels geschieden en dan nog van het soort waarover je in de krant nooit iets leest.
Horeca alom. Souvenirwinkel na souvenirwinkel na souvenirwinkel. Een van die zaken blijkt een selfservice te zijn waar je met een mandje gaat shoppen. Plastic Mariabeelden die je blijkbaar als drinkbus moet gebruiken. Postkaarten waarop een lachende èn wenende Christus afgebeeld staat, naargelang de invalshoek. Witte kaarsen, rode kaarsen, kleine kaarsen, grote kaarsen, laat maar draaien kaarsmachien. Recipiënten in alle maten en gewichten, van parfumflaconnetjes tot bidons die gezonde mensen gebruiken om er benzine in te transporteren als ze op een berg in panne staan.
In de verte kleeft een uit de kluiten gewassen kerkgebouw van het genre kathedraal tegen de rots. Van onder de grond komt geprevel. Na enig zoeken ontdek ik de toegang tot een ondergrondse kerk. Ik trek de deur open en kom terecht tussen tweehonderd Indiërs die daar met tulband en al een mis bijwonen. Wat bij mij meteen tot enig mediteren leidt. Zo vraag ik me af waarom westerlingen op zoek naar spiritualiteit richting India trekken, terwijl er blijkbaar ook een omgekeerde beweging aan de gang is. Wat ons ook iets leert over de zware ecologische voetafdruk van onze gelovige medemensen.
Dat mediteren leidt uiteindelijk tot niets, maar ik krijg er wel dorst van. Dus trek ik weer de stad in. Terwijl ik op een terras zit, zie ik de jonge non passeren die eerder naar me geknipoogd heeft. Ze vergezelt een man van middelbare leeftijd. Samen stappen ze een hotel binnen. Dertig minuten laten staan ze weer op straat en gaan ze elk hun weg, ni vu ni connu.
De non trekt naar de weide en dat doen ook veel andere mensen, vooral vrouwen. (Nooit eerder heb ik een stad met zoveel vrouwen gezien.) En ze dragen allemaal een brandende kaars met een papieren bavetje rond, om ’t kaarsvet op te vangen. Er is iets belangrijks op til.  Ik betaal schandalig veel geld voor de petit café noir die ik gedronken heb en laat me met de massa meedrijven, het mysterie tegemoet.
Ik bevind me op vreemd terrein tussen wel duizend ziekelijke gelovigen die kuchen en hoesten en in het duister van Ave Maria zingen. Overal rond mij ruisen pastoors van het kwalijkste soort in hun zwarte soutanes. Ze hanteren grote paternosters die desnoods ook als wapen gebruikt kunnen worden. Her en der lichten massale vrouwenboezems op in het schijnsel van flikkerende kaarsen… Kortom, dit is een sfeerbeeld dat kan tellen.  En het ergste moet nog komen.  Verloren lopend tussen de gelovigen kom ik onverwachts tussen wel honderd ziekenbedden terecht die door jonge meiden kordaat naar de plek der genezing gereden worden. Al die jonge vrouwen zijn in habijt, allemaal met witte kousen aan, allemaal met een kapje op, waardoor ik tegelijk begrijp dat de knipogende non er helaas geen is; dat het een plaatselijke schone is die in de stad blijkbaar meer dan één hulpverlenende taak uit te voeren heeft.
Wat een teleurstelling, de stad Lourdes onttoverd!  Maar de massa’s vallen omwille van een non min of meer niet van hun geloof af. Er wordt voor mijn neus zowaar een processie ontvouwd. Gebeden en gezang à volonté. Bij het refrein worden de kaarsen omhoog gestoken.  En kijk, ik ben nog maar enkele uren in Lourdes en daar gebeurt alwéér een mirakel, en deze keer is het gemeend. De kop van de processie wordt ingenomen door een groep Limburgse mijnwerkers! Jawel, de stoet wordt nu geleid door landgenoten die daar in Lourdes optreden in complete uitrusting, met overall, helm, stoflong, carbonlicht en al, klaar om de mijn van Winterslag in te trekken… die inmiddels al een kwarteeuw dicht is.  Mijnwerkers zonder mijn: mirakel, mirakel! Maar bekeerd word ik er niet door. Die knipogende non daarentegen, die had mij wel degelijk over de streep kunnen trekken.
Flor Vandekerckhove
Een reactie plaatsen