woensdag 4 juni 2014

Bloed, eer en bodem


Brandstichting in VB secretariaat en café 'Roeland' in Gent
 in 1997. Het VB organiseerde daarna een betoging tegen 
het 'linkse geweld', maar uiteindelijk bleek de dader van 
deze brandstichting de uitbater van het café te zijn.
Ik voel het aan mijn water: de titel van dit stuk vraagt om uitleg. En ik voel ook dat ik daar niet mee moet dralen. Laat me dan ook toe er meteen aan te beginnen, en wel met bodem, het laatste woord van deze onwelriekende drieslag.
Alleen mensen die me al zeer lang kennen, weten dat ik ooit een vertegenwoordiger geweest ben, een handelsreiziger. Hier te lande representeerde ik in die functie de firma Warner Brothers uit de USA. Niet deze van de filmindustrie, maar hun naamgenoten uit de bouwsector. Die Warners hadden in de omgeving van New Orleans een moeras gekocht. Dat hadden ze verkaveld in honderden stukjes swamp en ook de Belgen konden zo’n stukje kopen als ze bereid waren daarvoor langs mij te passeren. Ik word aan dat verleden niet graag herinnerd. Zeker niet nadat ik gezien heb hoe New Orleans in 2005 helemaal kopje onder ging. Als ik er nu toch op terugkom is ‘t opdat u zou weten dat de bodem uit de titel enerzijds op de moerasgrond slaat die ik in die tijd te verkopen had. En anderzijds ook wel op mijn zelfrespect dat een bodempeil bereikt had.
Eer! Neen, veel eer viel er met die bezigheid niet te rapen. Géén zelfs, maar dat belette niet dat ik hardnekkig probeerde de eer hoog te houden, vooral thuis, ten aanzien van mijn echtgenote. Daarom verliet ik iedere morgen de echtelijke woning om mij zogezegd naar mijn dagtaak te begeven. Vervolgens zocht ik in een door mij te prospecteren gebied een etablissement waar ik zeker geen bekenden zou ontmoeten. In zo’n herberg bracht ik al lezend de dag door en ’s avonds keerde ik weer huiswaarts. Neen, ik had die dag geen swamp verkocht. Morgen beter.
Toen ik de regio rond Gent moest prospecteren, kwam ik zodoende terecht in een café dat Vlaams huis Roeland heet. In wat op de gevel wervend tehuis aller Vlamingen genoemd werd, zat ik veilig. Daar zou niemand me herkennen. Ik bestelde een koffie, monsterde het interieur dat begrijpelijkerwijze helemaal in Vlaamse stijl uitgevoerd was en noteerde dat naast me een koppel zat, middelbare leeftijd, dat al van heel vroeg in de ochtend Vlaams, uiteraard donkerbruin bier aan ’t consumeren was.
Die dag kwam ik niet aan lezen toe, want de glazen van dat koppel werden in hoog tempo geleegd en weer gevuld, wat tot gevolg had dat die twee almaar luider begonnen te praten, zeg maar te redetwisten. Ongewild werd ik deelgenoot aan dat gesprek. De man bleek een kwade dronk te hebben. Hij begon zijn vrouw toe te snauwen en ik begon me daar erg ongemakkelijk bij te voelen. Van de waard moest ik geen hulp verwachten, want die wisselde alleen maar glazen, waarna hij telkens weer verdween in de ongetwijfeld groezelige achterkamers van dit tehuis aller Vlamingen.
Opeens hoorde ik hoe die man zijn vrouw voor kutmarokkaan begon uit te schelden. Dat vond ik echt een brug te ver. Ik ben geen held, maar ik vond toch dat ik de eer van die vrouw moest verdedigen. Ik haalde diep adem, stond recht, ging me vlak voor de tafel van die twee stellen. Ik keek in vier staalblauwe, ongetwijfeld Arische ogen en zegde met enigszins trillende stem: ‘Meneer, zijt gij niet beschaamd om uw partner een kutmarokkaan te noemen?’ Lang moest ik niet op het antwoord wachten. De vrouw die ik kwam verdedigen gooide haar glas meteen tegen mijn onderlip. Die lip werd doorboord door de hoektand die eronder zat en ik begon te bloeden. Dat bloed zocht zich een weg over mijn kin, langs mijn hals, naar mijn hemd dat ervan doordrenkt werd. Ik keek verwilderd om me heen en zag dat de waard uit het niets tevoorschijn gekomen was om de voordeur open te houden waarlangs ik het hazenpad koos.
Toen ik die avond thuiskwam zegde mijn vrouw: ‘Dat ge nog geen enkel stukje bodem verkocht hebt, tot daar! Dat ge ons gezin daarmee de eer onthoudt waarop het recht heeft, daar nog aan toe! Maar als er ook bloed aan te pas komt, dan zoekt ge beter ander werk.’ Wat ik vervolgens ook gedaan heb.
Flor Vandekerckhove

Een reactie plaatsen