maandag 9 juni 2014

Daar zijn ze weer


Moeder Vogel (juni 2014)
Van mijn moeder heb ik een huis geërfd en een kat. Het huis bestaat nog, ik woon erin, maar de kat, Pol, is inmiddels overleden. Over Pol heb ik in deze blog eerder al een stukje geplaatst. (*)
Toen ik in dat huis kwam wonen, maakte ik met Pol de afspraak dat ik vooraan zou verblijven en hij achteraan, in ’t achterhuis, ook wel ‘t kot genaamd. Dat vond hij goed, want Pol was een eenzelvige kat die niet zoveel nood aan menselijk gezelschap had. Dat was trouwens iets waarin we goed overeenkwamen.
’s Morgens kwam hij bij mij ontbijten, maar daarna concentreerden we ons elk op onze eigen bezigheden. Als ’t mooi weer was bracht Pol zijn dagen op ’t dak door. Als ’t regende trok hij zich terug in zijn kot via een primitief kattenluik, zeg maar een gat, dat ik uit de deur gezaagd had.
Toen Pol oud geworden was, kreeg hij gezelschap van een koppel merels. Ook zij maakten van het poezendeurtje gebruik. Dat was mooi om te zien. Ik liet hen betijen, ook omdat Pol, zo zag ik aan zijn lichaamstaal, het helemaal niet erg vond. Hij zat zich links te wassen terwijl de merels rechts hun nest maakten.
Moeder merel, die ik al bij de eerste kennismaking, toepasselijk maar niet erg geïnspireerd, met Vogel aansprak, broedde er de eieren uit en daarna werd de kroost verzorgd door Vogel en haar man die ik eveneens Vogel noemde. Dat broeden gebeurde niet één keer per jaar, maar verschillende keren. Dat gebeurde niet één jaar, maar verschillende jaren. Pol had er, zoals ik zei, geen last van, maar ik toch wel een beetje. De merels kakten overal in ‘t kot, zodat ik tijdens ‘t broedseizoen telkens een andere plek moest zoeken om de was op te hangen. Heel vervelend was dat niet, maar toch een beetje.
Verleden jaar, in de zomer, stierf de stokoude Pol. Ik spijkerde het kattenluik dicht. De merels moesten maar elders een nest zoeken. Na de winter, tijdens de eerste mooie lentedagen, zette ik de deur van ’t kot open om de boel te verluchten. Toen ik die ’s avonds weer ging sluiten zag ik in een hoek, vlak boven mijn werkbank, een nest dat ik eerder nog niet opgemerkt had. Onoplettendheid mijnerzijds, zo dacht ik eerst nog, maar de tweede dag zag ik hoe Vogel parmantig, en nu via de grote deur, in en uit trippelde en ja, op de derde dag zat ze al op ’t nest.
Ik ben niet sentimenteel en maar ’n lauwe dierenvriend, maar ik begrijp nu wel dat de familie Vogel ’t achterhuis van Pol geërfd heeft. Dus heb ik het kattenluik weer opengemaakt. Het heet nu vogelluik. 
Inmiddels zijn de eieren uitgebroed. Vader en moeder Vogel vliegen in en uit. De was hangt elders.
Flor Vandekerckhove


Een reactie plaatsen