dinsdag 9 december 2014

Arno in concert

Iedereen kwam kijken. Alle Oostendenaars tekenden present. Ik zag vaders met hun zesjarige dochter, mannen met een cowboyhoed die zich in rolwagens voortbewogen, jonge meiden en ouwe rockers, directeurs, tweelingen, fanatiek getatoeëerde medemensen en grootvaders met een débardeurke aan. Ik zag vrouwen die anders nooit buitenkomen, naast verwaaide kaaihoeren staan. Ik zag families en eenlingen, telgen van de working class naast mensen die nog nooit gewerkt hadden.
En dan barstte het los. Ik denk dat er zeventien man op het podium stond, waaronder twee forsgebouwde Congolese zangeressen. En Arno. Een orkaan van geluid stortte zich over ons uit. Iedereen begon te bewegen. Iedereen behalve ik, want ik wist niet wat me overkwam. Ik voelde de bassen in mijn hersenen. De plankenvloer schudde vervaarlijk. De drank werd uit het bekertje getrild dat ik in mijn hand had. Ook mijn vriendin bewoog, ik voelde haar heupen. Ze riep iets in mijn oor dat daardoor nog meer trilde. Ik vroeg me af… Maar dat werd onmiddellijk overstemd door nieuw geluid dat zich bij al het andere voegde. 
Arno schreeuwt iets onverstaanbaars en heel die tent roept als één man: ‘Jaaaaaaaaaaaa’. Hij roept weer iets. Weer ‘jaaaaaaaaaaaaaa’. En opeens begint iedereen te springen. Ook de bankbediende waarvan het nekhaar mooi gesneden is. Iedereen is aan het springen, behalve ik en de echtgenote van die bankbediende die zich afvraagt wat haar man bezielt. Vervolgens zingt Arno zijn eigen versie van ‘Mijn Tante Van ’t Sas’, hij zwaait daarbij met zijn handjes van tralala en heel de tent zwaait met de handjes van tralala.  Arno slaat de cimbalen tegen elkaar en Je Kost Niet Meer Zien Dat ’t Een Roste Was.
We lopen naar huis door lege Oostendse straten, over verlaten kaaien, voorbij gesloten cafés. In mijn oren hoor ik het ruisen van de zee. (Later in bed hoor ik dat ruisen nog steeds en besef ik dan dat het gehoorschade is.)  Ik durf het mijn vriendin eindelijk te vragen: ‘Wat riep Arno eigenlijk tot de zaal die daar massaal JA op antwoordde?’ En zo weet ik dat het een prangende kwestie betreft: 'Staat er haar op?' (‘En stoat er oar op?’). En of het lange haren zijn (‘En zien ’t van die lange?’). 't Zijn dingen die je hoort te weten als je naar zo'n concert gaat.
Dat alles geschiedde een aantal jaren geleden.  Intussen is dat zeegeruis wel uit mijn oren verdwenen. Blijkt dat het concert een potloodgommetje vrij getrild had dat, wellicht al van in mijn schooltijd, diep in mijn oor verscholen was blijven zitten.
Flor Vandekerckhove


Arno Les filles du bord de mer

Een reactie plaatsen