maandag 8 december 2014

Mannen

Wanneer de kusttram vanuit de bocht in beeld komt, en ik een flinke sprint inzet, kan ik hem net halen, zo leert me de ervaring. Een sprint van honderd meter vraagt van een mens een inspanning, zo een waarvan je hevig buiten adem geraakt, maar waarvan je achteraf, op die tram, toch vlug recupereert. Zo gaat het ook die dag. Ik sprint, ben net op tijd, de tram vertrekt en ik hijg enkele minuten mijn longen vol. Alles verloopt zoals het hoort.
Alleen is er deze keer een jongeman die me vraagt of ik zijn zitplaats wil overnemen. Ik weiger. Hij vraagt het me nog eens. Ik weiger weer. Ik geloof mijn ogen niet; dat heb ik nog nooit meegemaakt. Wat moet ik ervan denken? Ik zie twee mogelijkheden. Eén: als De Laatste Vuurtorenwachter geniet ik enige plaatselijke bekendheid. Die jongen herkent me en toont respect voor de Bekende Bredenaar die ik ben. Dat kan, al geef ik toe dat de kans miniem is. Twee: hij heeft me zien sprinten, ziet me zwaar hijgen en denkt: och arme, die oude man, laat me eens een goede daad stellen. Waardoor ik er, al hijgend op die tram, voor het eerst in ’t openbaar mee geconfronteerd word: ik ben oud aan ‘t worden. En in de ogen van die jongeman vervalt het zinsdeel ‘aan ’t worden’: ik ben oud!
In de stad doe wat ik doen moet en daarna keer ik weer naar huis. Te voet! Het is iets wat ik wel meer doe, ik wandel graag, maar deze keer is ’t om iets te bewijzen. Dat ik het nog kan, vijf kilometer stappen! Dat ik in de pikorde der mannen nog boven hen sta! Dat de jongemannen mij nog geen zitje moeten aanbieden! Vijf kilometer! Dat zal hen leren! Dat ik hun medelijden niet nodig heb! Te voet van Oostende naar Bredene, daar zouden die jongemannen nog eens een punt aan kunnen zuigen! Ik zet er flink de pas in. Naast me flitst de tram voorbij. Daarop zie ik die jongen zitten. Door het raam kijkt hij me aan. Zijn meewarig lachje zal me ten eeuwigen dage bijblijven.

Een reactie posten