zaterdag 25 april 2015

Henri Vandeputte, een voetnoot waaraan mijn oog blijft haken


Je weet hoe ’t gaat: het ene woord brengt ’t andere mee en in dit geval is dat als volgt geschied. In het spetterende weekblad De Zeewacht schrijf ik wekelijks een column. Daar krijg ik nogal wat reacties op. Zo’n reactie is er ook gekomen van Patrick Vanslambrouck die zich beheerder van het Fonds H. Storck mag noemen. En, hop, we zijn vertrokken. 
In mijn antwoord laat ik de mens weten dat ik hier een stukje over die Oostendse filmmaker gepubliceerd heb. Dat blijkt evenwel maar kattenpis te zijn in vergelijking met wat Vanslambrouck zelf over Henri Storck geschreven heeft. 
Hij stuurt me een doorwrocht stuk dat me in de nabije toekomst ongetwijfeld nog zal inspireren. Maar nu blijft mijn oog haken aan een voetnoot over Henri Vandeputte (1877-1952), een Franstalige dichter die zijn beste tijd in Oostende doorgebracht heeft. Van die Vandeputte bezit ik namelijk een antiquarische poëziebundel. Ik koester dat boekje, enerzijds omdat ik het cadeau gekregen heb van wijlen Yvon Kermarrec en anderzijds omdat er een handgeschreven opdracht in staat: Au cher Mathieu Corman, de stichter van de gelijknamige boekwinkels, waarover ik her & der ook al iets geschreven heb. 
De noot is de transcriptie van een passage uit een radioprogramma, waarin Hugo Claus het over Henri Vandeputte heeft, die hij in Oostende placht te frequenteren: Er zijn ook mensen die, in die jongenstijd zal ik maar zeggen, die mij beïnvloed hebben, die niet bekend zijn, of althans maar bekend zijn in heel kleine kring, en zo iemand was, toen ik in Oostende woonde, een man die heette Henri Vandeputte. Het is een Franstalige Belgische dichter waar niemand meer over spreekt, die zijn glorie heeft gehad in het begin van deze eeuw, omdat hij niet alleen dichter was maar ook un homme du monde, die directeur is geweest van het Casino-Kursaal van Oostende (...) Een vooraanstaande rijke man met, zegt men, de mooiste porseleinencollectie van Europa (...) Hij had één grote fout voor de directeur van een Casino: hij speelde zelf... (...) En toen had hij een klein boekhandeltje in Oostende (Librairie de la bibliothèque, Madridstraat, n.v.d.r.) met vnl. zijn eigen boeken, dus tweedehands maar waarin de fine fleur van de Franse literatuur te vinden was, allemaal met opdrachten en eerste edities (...) Mijn vriendschap met die man was zo dat ik praktisch elke dag naar hem toeging, alleen maar om te luisteren wat hij vertelde over Apollinaire, over de grote Franse dichters van het begin van de eeuw en mijn surrealisme viel bij hem niet in zulke goeie aarde. Hij vond dat allemaal maar charlatans, dus hij zorgde voor een tegenpool, en hij was een uitstekend dichter, in de trant van Apollinaire. Leesbaar, niet van dat duister gedoe, wat men voor diepzinnig houdt. En hij heeft me een grote diepe kennis bijgebracht van de Franse literatuur, en waarom iets stijl had en waarom iets verderfelijk was, wat moreel nog kon en wat goed uitgedrukt werd. Dus die hele gamma. Ik had een professor in de poëzie...(...) Het is een levende schande van de Franse literatuur dat ze die man al was het maar een paar regels gunnen in hun encyclopedieën.’
Flor Vandekerckhove
Een reactie posten