vrijdag 24 april 2015

Verhalen in kotjes steken

Hier had een foto van William Boyd moeten staan, maar
ik plaatste er toch maar een van Katherine Hepburn.
William Boyd is een Engelstalige auteur met een indrukwekkend oeuvre en daartoe behoren ook drie bundels met korte verhalen. Die schrijft hij graag, zegt hij, omdat er zoveel verschillende manieren zijn om het te doen. Hij heeft het genre in een eigen klassement gegoten, dat uit zeven categorieën bestaat. Volg de gids! Ten eerste heb je verhalen waarin ‘de gebeurtenis’ centraal staat, dat zijn plotverhalen. Zo is het genre trouwens ontstaan. Allerbelangrijkst in zo’n plotverhaal is de strakke verhaallijn: begin, midden, slot. Zo zijn ook mijn verhalen, want ik ben een simpele mens die de dingen graag overzichtelijk houd. Ik blader in de blog en mijn oog blijft meteen haken aan De vrouw met drie benen. Dat heeft, zo blijkt uit de titel, een buitengewone inhoud, maar die inhoud baadt in een gewone structuur: begin, midden, slot. Tot aan Anton Chekhov worden alle korte verhalen zo geschreven, maar die Chekhov begint wel aan het genre te morrelen. Hij schaft de plot niet af, maar laat die meer naar het leven neigen. In 't leven worden de dingen inderdaad zelden zo beleefd dat ze in een strakke plot passen. Het verhaal begint bij Chekhov bijgevolg ietwat chaotisch te ogen, abrupt… (Misschien hoort mijn De nonnenstaking daar wel bij, misschien ook niet, je moet maar eens kijken.) Doordat Anton aan de plot begint te morrelen mag hij ook de vader van een derde categorie genoemd worden, het moderne korte verhaal. Dat kan ronduit obscuur zijn, onduidelijk, vaag. Boyd geeft Hemingway (‘Hillls Like White Elephants’) als voorbeeld. Ik ga dat straks eens lezen, want ik heb daar al veel goeie dingen over horen vertellen. Zou mijn De alwetende verteller van Mars daartoe gerekend mogen worden? (Pffffff, straks krijg ik hier nog een punthoofd van.) Op naar de volgende categorie! Het cryptische verhaal. Dat verschilt van al de vorige doordat het op ’t eerste gezicht vaag lijkt, maar dat eigenlijk niet is. Hoe dieper je graaft, hoe meer je erin ontdekt. Da’s het geval, zo leert Boyd me, bij ‘Spring at Fialta’ van Nabokov en ook bij ‘Mary Postgate’ en ‘Mrs Bathurst’ van Rudyard Kipling. Ik denk niet dat er in mijn verhalen diep gegraven moet worden. Er bestaan, ten vijfde, ook korte verhalen die eigenlijk miniromans zijn. ‘Mijn leven’ van Chekhov behoort tot die categorie: veel personages, veel details. De miniroman probeert in enkele bladzijden te doen waar de roman er meer dan honderd voor nodig heeft. Daar heb ik er al veel van geschreven, maar titels geef ik je niet, want aan die troep wil ik niet herinnerd worden. Nog een aparte categorie is volgens Boyd het dichterlijke/mythische verhaal dat zich zo ver mogelijk van het realisme ophoudt. De vignetten van Hemingway behoren daartoe, zegt Boyd, en ook Dylan Thomas, DH Lawrence, Frank O’Hara en Ted Hughes hebben dat soort verhalen geschreven. Misschien geldt dat ook voor het zeer korte Hoe kan ik mijn geluk bezingen? van de heer Vandekerckhove F. Het biografische verhaal ten slotte leent zijn eigenschappen van de non-fictie, zoals Borges dat pleegt te doen. In zo’n verhalen smokkelen de schrijvers een ferme portie fictie in het leven van echt bestaande personen. Ja, dat ken ik, dat is wat ik meestal zelf ook doe in mijn plotverhalen vol dichterlijke, mythische en toch moderne gebeurtenissen die even vaag als gemakkelijk te doorgronden zijn, gesteld dat de lezers daar enige moeite voor zouden doen, quod non. Ah, het leven zou niet leefbaar zijn, ware er de troostende Katherine Hepburn niet geweest, die sprak & zeide: ‘Never explain, never complain.
Flor Vandekerckhove

William Boyd on writing
Een reactie posten