maandag 4 januari 2016

Leren schrijven met Simon Carmiggelt

— Simon Carmiggelt (1913-1987) —
Dat komt ervan. Ik schrijf hier een stukje over Herman Moerman, waarin ook de naam Simon Carmiggelt valt en prompt begin ik Kroeglopen 2 te lezen, het enige boekje met Kronkels dat ik in de kast heb staan. 't Wordt tijd dat ik er werk van maak, want het houthoudend papier begint al te kraken, 't is een oud boekje. Vroeger heb ik van die Carmiggelt al Een Hollander in Parijs gelezen en dat is me toen niet zo goed bevallen, Kroeglopen daarentegen vind ik klasse. Wat ik destijds ook gelezen heb is Mijn beter ik van Renate Rubenstein, waarin ze, na de dood van de schrijver en diens echtgenote, haar geheime liefdesrelatie met Simon heu ontbloot. Rubenstein illustreert overigens goed wat ik in het Moermanstukje schrijf: onbelangrijke gebeurtenissen uit A’dam worden wel in Bredene gelezen, het omgekeerde niet.
Carmiggelt (1913-1987) is net als mijn held A.L. Snijders een veelschrijver. Dat moet wel, want hij levert gedurende vele jaren dagelijks een stukje aan Het Parool, de krant waarmee hij al van in z’n verzetstijd nauw verbonden is. Over die veelschrijverij zegt hij zelf: ‘Mijn werkwijze verschilt niet wezenlijk van die van romanschrijvers. Vanzelfsprekend, mijn tempo wordt gedicteerd door de krant, ik moet iedere dag zo'n column in Het Parool schrijven. Maar een romanschrijver schrijft per dag evenveel als ik, of meer. Shaw deed het niet beneden de vierduizend woorden per dag. Bij mij is dat veel minder. Het enige verschil met een romancier is, dat ik iedere dag een afgerond geheel moet schrijven.’
Carmiggelt is goed, maar niet zo goed als Snijders. In Kroeglopen 2 lees ik iets over een receptie. De schrijver gaat er heen, maar niet van harte. Hij beschrijft de ergernis die hem daar overvalt en gaat er gauw weer vandoor. En dan staat daar het mooie:
‘Het regende hevig.
Dat was wel fijn.’
Daar had het moeten stoppen, vind ik. Ik denk dat A.L. Snijders dat ook vindt. Maar Carmiggelt breit daar nog een hoop woorden aan. En hij weet dat hij over de schreef gaat: ‘Ach, ik moet dit stukje eigenlijk helemaal niet schrijven, maar die pen gaat door, ik kan er niets aan doen.’ De waarheid is wellicht dat hij de hem toegemeten ruimte in de krant nog niet helemaal gevuld heeft en bijgevolg nog een beetje moet doorgaan.
Toegegeven, dat doet maar weinig af van ‘s mans meesterschap dat hierin gelegen is: ‘De dingen die je beschrijft moet je wel ergens ervaren hebben, maar je moet ze opnieuw liegen (…) Of iets waar gebeurd is of niet kan de lezer geen donder schelen. Hij moet hetgeen hij leest als waar ervaren, dat is alles.’
Ik heb van die mens nog veel te leren, zoals bijvoorbeeld dit: ‘Toen ik jong was moest ik leuk schrijven. Mijn verhalen moesten bovendien een plot hebben. Dat hoeft tegenwoordig niet meer. Ik kan nu over veel meer onderwerpen schrijven. Zonder pointe. Zo maar.’
Zonder pointe, zo doet A.L. Snijders dat ook. Zelf durf ik dat nog altijd niet volop te doen. Ik zit nog in het stadium waarin ik leuk gevonden wil worden. Ja, er is nog werk aan deze jongen. Ik buig het hoofd voor meester Carmiggelt die ik wellicht nooit zal evenaren. Vertwijfeld door mijn onkunde tuur ik naar buiten en zie dat ’t alweer donker aan 't worden is. Het regent hevig. Dat is wel fijn.
Flor Vandekerckhove

(*) De citaten van Carmiggelt over het schrijverschap komen uit Jan Brokken, Schrijven. De Arbeiderspers, A’dam. 1980.

Een reactie posten