maandag 18 januari 2016

Naar ‘t Hazegras


Nog honderd dagen te gaan! We waren vast van plan om een voorafname op onze volwassenheid te nemen, die, zo dachten we, vlak om de hoek lag. We hadden rare hoedjes opgezet, de schoolpoort achter ons dicht gekwakt en om de hoek, bij Schete, hadden we een glas bier gedronken, sommigen zelfs twee. Daar hadden we Michel Polnareff uit de juke box gehaald, La poupée qui fait non, een hit die we hard meegezongen hadden. Opgehitst door onszelf trokken we verder. We hadden het zo heet dat we onze jassen moesten ontknopen. ’t Was januari. We lachten uitbundig en wisten niet waarom. We zwalpten over ’t voetpad om te tonen dat we dronken waren en misschien waren we dat ook. Daniël liep tegen een verkeersbord aan en kwakte tegen de grond. Met vier man trokken we hem recht, ik zette hem zijn hoedje weer op en de tocht ging verder. Vrouwen die we nariepen staken haastig de straat over. Freddy riep: naar ’t Hazegras, naar ’t Hazegras! Zijn kreet werd deze van een spreekkoor: naar ’t -Ha-ze-gras! Naar ’t -Ha-ze-gras!
De hoeren van die wijk, die ons van verre hadden zien aankomen, sloten haastig de deuren, niet uit schrik, maar omdat ze goed wisten dat we ’t geld niet hadden om hen te betalen. De gevels weerkaatsten onze kreten die daardoor in kracht verdubbelden, wat ook nodig was, want uit onszelf hadden wij niets, echt niets, wat in die wijk enige indruk had kunnen maken, al dachten wij daar anders over.
Jean-Pierre herinnerde ons eraan dat dikke Blomme in die buurt een bar had en dat we daar ook zonder geld welgekomen zouden zijn. Het spreekkoor nam zijn suggestie enthousiast over: dik-ke-Blom-me! Dik-ke-Blom-me! We wisten niet waar die bar zich juist bevond, maar het toeval, dat zoals je weet in zo’n wijken woont, hielp ons goed op weg, almaar dieper in dat Hazegras.
Vlak voor we er passeerden zwiepte de deur open. Een matroos, half in uniform, strompelde naar buiten. Iemand gooide, wreed lachend, de rest van zijn kleren achter hem aan. Die iemand stond in het deurgat en boog zich om ‘s mans matrozenpots op te pakken. Ze had een rokje aan dat nauwelijks langer was dan de riem die het ophield. Onbeschaamd toonde ze ons haar broekje. De matroos scharrelde de pots op die het meisje van uit het deurgat naar hem gegooid had, terwijl ze hem boosaardig bleef uitlachen. Ik herkende haar meteen. Ze was een meisje uit mijn wijk, nauwelijks ouder dan ikzelf. Zij had mij gelukkig niet herkend. Dat moest de bar van dikke Blomme zijn, dat kon niet anders, want ook hij had in die wijk gewoond. 
Ik was zo verbouwereerd dat ik de anderen daar niet op wees. Het tafereel had er bij mij hard ingehakt en verwarring werd mijn deel. Wat ik gezien had was vreselijk, al wist ik niet waarom. Een gevoel van grote eenzaamheid viel over me. De groep trok verder door de straatjes van het Hazegras, luid roepend: Dik-ke-Blom-me! Dik-ke-Blom-me!  Zelf liet ik me een beetje afzakken, stak me weg in een portiek, smeet dat rare hoedje in een vuilnisbak en nam de tram naar huis.
Flor Vandekerckhove

Een reactie posten