donderdag 7 januari 2016

Vier op de schaal van Rastelli

— Enrico Rastelli (1886-1931) —
Hugo Claus slaat als zeventienjarige de ouderlijke deur achter zich dicht om daarna alleen nog met kunst bezig te zijn. De door mij erg bewonderde Victor Serge reist als negentienjarige naar Parijs om daar de Bande à Bonnot op te zoeken. Picasso is negentien wanneer hij naar Parijs trekt om het daar te maken. Op welke leeftijd slaat Kim Cleysters haar eerste balletje? Hoe jong is Mozart wanneer hij zijn eerste noot aanslaat? Op welke leeftijd slaat Kasparov zijn eerste paard? Hoe oud is Al Capone wanneer hij zijn eerste slag slaat? Moraal: je moet er vroeg aan beginnen. En nadat je vroeg begonnen bent moet je er lang mee doorgaan. Daar bestaat een boek over, Uitblinkers, van de Canadese auteur Malcolm Gladwell. Het duurt 10.000 uren, zegt die mens, om ergens goed in te worden.
Ik zie dat je een geeuw onderdrukt, want, zo denk je, nu trapt hij een open deur in. Alsof we dat niet zouden weten: oefening baart kunst. Maar ’t is iets anders wat ik zeggen wil. 
Die snotneuzen weten al op jonge leeftijd waarvoor ze willen gaan en ze doen dat ook, compromisloos. Da’s iets waarin ik mijn eigen negentienjarige zelf niet herken. Op die leeftijd weet ik helemaal niet waarvoor ik wil gaan. Ik weet zelfs niet of ik überhaupt ergens voor wil gaan. Hoe dat komt? Ik zou ’t niet weten. Heeft het met het milieu te maken waarin ik opgroei? Karaktergebreken? Een langgerekte puberteit? Geen kloten aan mijn lijf? Waarbij ’t ene ’t andere niet uitsluit. Het heeft er hoe dan ook voor gezorgd dat ik een laatbloeier geworden ben. Vandaar dat ik je nu iets over laatbloeiers wil meedelen. 
Ik ga al naar de veertig als ik begin te joggen. Haal ik ooit de conditie van die andere veertigjarige, die al van zijn twaalfde aan ’t hardlopen is? Goh neen. Die vroegbloeier blijft voor mij uitlopen. Die valt niet meer bij te benen. Daar bestaan studies van, dat staat in tabellen vermeld, dat is in curven gegoten. Stel dat ik vandaag een muzikaal talent in mezelf ontdek en een piano in huis haal om te oefenen, vier, vijf uur per dag, misschien zelfs acht, want ik ben met pensioen, ik heb tijd. Nooit zal ik het pianospel van dat mens van hiernaast evenaren, want zij oefent al van haar twaalfde.
Dat geldt uiteraard ook voor ’t schrijven, al wordt dat door sommigen betwist. Dat komt echter alleen maar doordat die sommigen denken dat ze kunnen schrijven. Doordat ik vijfentwintig jaar lang redacteur van een tijdschriftje geweest ben, weet ik wel beter.
In een cursiefje heeft Simon Carmiggelt het over circusartiesten: ‘Kober schrijft het ook in zijn klassieke circusboek Die Grosse Nummer (1925). Hij zegt dat de goede jongleurs het pas na jaren brengen tot het beheersen van zes ballen. Maar nóóit acht. Dát kon alleen Rastelli, die dan ook zes uur per dag repeteerde en alleen leefde voor zijn nummer. Voor het bovenmenselijke wonder, dat hij elke avond vertoonde. En dat nooit meer is geëvenaard.’
Terug naar het schrijven. Je hebt weinig auteurs die acht ballen tegelijk in de lucht houden. Wie er vroeg aan begint kan het na vele jaren met zes. Zelf ben ik er pas aan begonnen toen ik de veertig naderde. Meer dan vier ballen zal ik daardoor wellicht nooit in de lucht kunnen houden. Maar, zo zeg ik dan, vier ballen! Op de schaal van Enrico Rastelli is dat niet niks, zeker voor iemand die, toen hij negentien was, geen kloten aan zijn lijf had.
Maar ik ben er nog niet helemaal. Soms laat ik nog een balletje vallen, zoals nu. Het ging nochtans goed, tot hiertoe, maar nu vind ik geen bevredigend slot voor dit stukje. Blijven oefenen, blijven oefenen.
Flor Vandekerckhove


Een reactie posten