maandag 20 november 2017

Vlucht uit Oostende

Dat Georges Simenon de schepper van commissaris Maigret is weten we allemaal. Minder bekend is dat twee Maigretverhalen zich in het vissersmilieu afspelen.
In Maigret in de mist wordt een sluiswachter vermoord. De commissaris gaat aan ‘t werk te midden van vissers, matrozen en andere mannen van de zee.
In Maigret en de kabeljauwvissers gebeurt de misdaad aan boord van een vissersvaartuig. Het schip maakt een ongeluksreis. De waardeloze vangst heeft veel ongelukken veroorzaakt en die staan allemaal in verband met de aanwezigheid van een vrouw. Ze is ongetwijfeld een molfiet. Of toch niet? Maigret vist het voor ons uit in een milieu dat hem onderdompelt in een ‘ranzige geur, verstikkend, die niet minderde als men wegging en nog drukkender werd in het kleine café.’
Naast de politieromans schreef Simenon ook andere verhalen. In een ervan spelen Oostendse vissers de hoofdrol. Le clan des Ostendais werd in 1947 uitgegeven en in 1976 als Vlucht uit Oostende vertaald. Maigret beschrijft in 175 bladzijden hoe de vissers bij de aanvang van de Tweede Wereldoorlog de stad ontvluchten. Vijf vaartuigen van eenzelfde familie komen in La Rochelle terecht waar de Oostendenaars met veel achterdocht bekeken worden.
Simenon weet waarover hij het heeft. In een brief aan John Gheeraert schrijft hij: ‘Je connais bien Ostende. J’étais Commissaire aux réfugiés belges à La Rochelle lorsque, au 1940, six chalutiers d’Ostende, avec femmes, enfants et… leurs meubles se sont réfugiés dans le port. J’ai eu les meilleurs rapports avec eux (…)’.
Simenon concentreert zijn verhaal op het fel gehavende gezin van Omer. De oorlog eist een zware tol. Het gezin verliest niet alleen een kapitaal aan schepen, maar ook twee zonen en een schoonzoon. Uiteindelijk slaagt de schipper erin de overtocht naar Engeland te maken: ‘Maar Omer lachte niet, glimlachte niet. Dikke Maria was de enige die kon weten dat het huilen hem nader stond dan het lachen, omdat hij het duur moest betalen die vrijheid.’
In Het Visserijblad staat menig interview waarin vissers een gelijkaardig verhaal vertellen. In februari 1989 publiceerden we bijvoorbeeld zo’n vraaggesprek met Alfons Verbiest. (°) Op 19 mei 1940 ontvlucht de familie Oostende. ‘We waren nog maar pas buitengaats toen we al een Stuka zagen. Een weinig later was er een enorme rookwolk. Toen we de Trapegeerbank passeerden zagen we een in stukken gebombardeerde torpedojager drijven.’
De daaropvolgende dag wordt aangemeerd in Dieppe: ‘Daar lag heel het dok vol met aan de ene kant Oostendse garnaalscheepjes en aan de andere kant diepzeetreilers.’
‘Opeens zag ik twaalf Duitse bommenwerpers op ons afkomen. De bommen die voor onze garnaalvloot bestemd waren misten echter doel en vielen op de kaai. De diepzeetreilers daarentegen kregen de volle laag. Ik overdrijf niet als ik zeg dat het bassin rood kleurde van het bloed.’
Flor Vandekerckhove


(°) Alfons Verbiest (°1917 - †2004) was de vader van Werner, een oud-klasgenoot van me, zoals uit deze schoolfoto blijkt, waar hij het nummer 35 draagt.
Een reactie posten