zaterdag 31 maart 2018

Bedrieglijke herinneringen

Je weet hoe ’t gaat. Je wordt ouder, je zicht gaat achteruit en je hoort zo goed niet meer. (Vreemd genoeg is ’t voor een mens gemakkelijker om ’t eerste toe te geven dan ’t tweede.) Je reukzin vermindert, waardoor de lente nooit meer zo fris zal ruiken als destijds. Je smaakzin vermindert, waardoor negertetten nooit meer zo intens zullen smaken als voorheen. Joggen? Daarvoor is 't al gauw te koud, te nat, te laat… Bovendien wil je 's middags een dutje doen. Je wordt stijf en het bijknippen van je teennagels wordt een hele klus. De tijd waarin je een nachtmens dacht te zijn ligt belachelijk ver achter je. 
Wat mij in deze afgang ’t meeste stoort is het verval van mijn hersenen. Het lijkt erop dat ik nog dommer word dan ik al was. Van zekerheden die als een paal boven water stonden, vraag ik me nu af: wat staat die paal eigenlijk boven dat water te doen? Mijn geheugen verdenk ik zelfs van kwaad opzet.
Nooit eerder gebeurde dat laatste zo flagrant als die keer dat ik herinneringen aan het huis van een oud-schoolkameraad opriep. In mijn hoofd was daar een kapsalon. Dat beeld staat op mijn netvlies geprent: kapperszetel, spiegel, scharen, scheerkwast. Niet dus! Waar ik een kapsalon meende te ontwaren was in werkelijkheid een… herberg. Ik heb daar onlangs een stukje over gepost, je moet er hier maar eens naar kijken.
Als bewijs van een kwakkelend geheugen kon dat tellen, vond ik. Maar blogger Philippe Clerick plaatste onder dat stukje een spitsvondige reactie: ‘Geen slecht geheugen,’ schreef hij. ‘Bedrieglijke herinneringen. Hen treft schuld.’ Een straffe repliek is dat, vind ik, grapje en doordenkertje tegelijk; ernst en luim in een en 't zelfde doosje. Mijn aftakeling is gelukkig nog niet ver genoeg gevorderd opdat de tweeslachtigheid me zou ontgaan.
Een bedrieglijke herinnering dus. Waar, wanneer, hoe en waarom de herberg in mijn hoofd een kapsalon geworden is, valt niet meer te achterhalen, maar er moet ooit ergens iets gebeurd zijn wat verkeerd gekoppeld werd, waarna het een eigen leven is gaan leiden.
In haar memoires vertelt Mary McCarty hoe zoiets in zijn werk kan gaan:
‘Mijn eigen zoon, Rewel, bij voorbeeld, was ervan overtuigd dat Mussolini uit een bus in Noord-Truno op Cape Cod werd gegooid, in de oorlog. Deze herinneringen gaat terug tot een morgen in 1943 toen hij als klein kind met zijn vader en mij in Welfleet op een bus stond te wachten die een vertrekkende gast naar Hyannis zou brengen. De bus kwam en de buschauffeur boog zich naar buiten en riep het laatste nieuws: “ze hebben Mussolini eruit gegooid”.’ (°)
Flor Vandekerckhove


 ° Mary McCarthy. Herinneringen aan mijn roomse jeugd. 1966. Amsterdam De Arbeiderspers. 250 pp. Oorspronkelijke titel: Memories of a Catholic Girlgood. New York. 1957.
Een reactie posten