vrijdag 2 maart 2018

Een blik op Klemskerke


— Het panorama, met in de verte de torenspits van Klemskerke. —

Vanuit mijn raam kijk ik neerwaarts uit over de straat en als ik de blik langzaam opricht, als maakte ik een lange shot, zie ik eerst een dierenpark, dan een duivenhok, dan campinghuisjes en verder ook de nokken van deze die erachter liggen. Aan de einder onwaar ik, als de bomen nog geen blaren hebben, de torenspits van Klemskerke.
Over veel details van dat uitzicht heb ik iets geschreven. In een stukje waarin ik het over mijn jeugdig godsgeloof heb, vernoem ik de kampeerterreinen, waar ondernemende Walinnen ons, gewillige Vlamingen, naartoe wisten te lokken.’  Over het duivenhok heb ik nog maar onlangs iets geschreven en over het dierenpark publiceerde ik in 2012 een verhaal dat De nonnenstaking heet. 
Klemskerke daarentegen is aan mijn schrijverij ontsnapt. Tot nu.
De foto boven dit stukje laat verkeerdelijk vermoeden dat die kerk erg nabij ligt. Dat komt doordat ik er vanaf mijn dak op inzoom. Als ik er vanuit mijn zetel, op de eerste verdieping, en zonder lenzen naar kijk moet ik speuren naar de spits die helemaal achter de bomen ligt.
De afstand mag groot zijn, hij is niet onoverbrugbaar. In onze tienerjaren zijn we er met enkelen naartoe gefietst, omdat we er daar een schoolmakker wonen hadden, Freddy Buffel — hier achter het nummer 46 —, wiens vader daar een merkwaardige onderneming uitbaatte, eigenlijk twee.
Ook vandaag begeef ik me naar Klemskerke, maar niet per fiets. Met Google Street View glijd ik soepel de Dorpsstraat in en vlak naast het gemeentehuis hou ik halt voor het ouderlijk huis van mijn oud-schoolmakker. De gevel leert ons al iets over vader Buffels bezigheden. Centraal staat de voordeur, links en rechts zijn grote ramen, eertijds etalagevensters.
Je kwam binnen in een grote ruimte die een vreemde aanblik bood. Langs de ene kant stonden kapblok, toonbank, weegschaal… Aan die kant werden vleeswaren geëtaleerd, want vader Buffel was een slager. Keek je de andere kant uit dan zag je een spiegel aan de wand, een zetel en een tafel met scheerkwast en scharen, want vader Buffel was ook coiffeur. [Intussen weet ik alweer meer. De lezer doet er goed aan achteraf de noot te lezen die onderaan dit stuk staat.]
Als je in Klemskerke naar de coiffeur ging kwam je met een kotelet weer buiten. Als je daar gehakt ging kopen kwam je gekapt weer thuis. 't Schijnt indertijd niet ongewoon geweest te zijn, een beenhouwer-coiffeur. Maar toch ongewoon genoeg om over die combinatie niets op ’t internet weer te vinden.
Flor Vandekerckhove
 
— Het huis dat destijds aan de familie Buffel toebehoorde. —
Coda — Mij ga je niet gauw op reünies tegenkomen. Maar godver, dit doe ik toch wel graag: een spoor opdelven dat naar een kennis uit lang verleden dagen leidt.
Soms is dat een doodlopend spoor. Mijn zoektocht naar Patrick Van Molle loopt bijvoorbeeld dood, vlak voor zijn deur in ’t Brusselse, maar ik heb er wel een goed verhaal aan overgehouden. Meestal leidt het naar een goed gesprek, zoals dat met Jean-Pierre Casier. Of met Wilfried Laforce, Marc Cromphout, René Deweert, Jean-Pierre Boentges, Jan Decreton, Georges Verleene en Noël Denys. Of naar trieste verhalen, omdat de protagonisten overleden zijn, zoals Marcel Van Paemel en Jacques Chandler. Soms leidt het naar nevenverhalen, zoals dat over de vader van Bernard Vanneuville en deze van Werner Verbiest.  Deze keer heb ik een oud spoor naar Freddy Buffel gevolgd, zonder ook maar in de verste verte te weten waar hij zich thans ophoudt. Mocht iemand meer weten…


* Intussen weten we alweer meer. Je moet echt hier eens kijken. Daar zul je zien dat het kapsalon eigenlijk een… herberg was.
Een reactie posten