woensdag 11 april 2018

Mijn leven als ontdekkingsreiziger


Nadat ik Land in zicht geroepen had, kwam Zeger Janszone uit zijn kooi en toen hij zijn ogen uitgewreven had, vroeg ik hem: ‘Wat denkt gij, kapitein, is dat land de moeite van ’t ontdekken waard?’ Hij antwoordde kordaat: ‘Jongen, vergeet de visvangst, we gaan aan wal.’ 
Terwijl we naar het strand waadden, Zeger en ik, stond de veldwachter al klaar om ons in de boeien te slaan, met als argument dat de geschiedenis zich herhaalt. Zeger Janszone had hij meteen bij zijn collier, want als er iemand tot de geschiedenis behoort, dan hij toch wel. Zelf kon ik ontsnappen, want ik hoorde nergens bij.
Achter de duinen verschool ik me in de Meiboom, tussen het oprukkende toerisme. De dienster was een meisje waarvan mijn maat Erik de Noorman zou zeggen: Er is al voor minder gevochten in de Tijl. Ik zei haar dat ik dit land juist ontdekt had en dat ik het De Dune zou noemen. Dat vond ze een mooie naam en het leverde me een plek op om de nacht door te brengen. Ge weet hoe diensters zijn.
‘s Anderendaags stapte ik fris & monter naar de bank, die toen nog van Brussel heette, om daar de borgsom af te halen. ‘Geld is geen probleem’, zei de gerant, 'want het woord bankencrisis bestaat nog niet.' Ik sloeg een zak geld over m’n schouder en liep stekerecht naar taximan Maurice Boentges. Hem vroeg ik om me naar de nor te voeren, om daar Zeger vrij te kopen. 
Nadat Maurice een tijd lang, letterlijk en figuurlijk, met me rondgereden had, kwam ik op ’t Sas terecht, en meer bepaald bij begrafenisondernemer Verlinde. Die zei: ‘Ik kan met dat geld niets doen. Kom eens weder als Janszone dood is.’
Vindt u die passage langs Verlindes onderneming een eigenaardige wending? Weet dan dat er ook een oudere versie van dit verhaal bestaat en ook in die versie gaat de tocht langs een soort Verlinde. Die oudere versie werd geschreven door een Nobelprijswinnaar, ik wil maar zeggen. Ik plaats die hieronder, zodat u straks ook daarvan kunt genieten. 
Omdat ik er intussen schoon genoeg van had, vroeg ik Maurice om me naar het schip terug te brengen. De taximan gaf petrol, want in die tijd reden taxi’s nog op petrol.
Daar, waar de branding ruist bij dag & nacht, wenste Maurice me goede vaart, maar niet voordat hij de zak geld in zijn koffer weggeborgen had. Ik zette alle zeilen bij en De Dune werd kleiner & kleiner, tot het land helemaal achter de horizon verdween.
Onderweg passeerde ik de Santa María. De kapitein riep me toe dat hij naar Amerika zeilde, om het te ontdekken, als ware het India. Ik van mijn kant zette koers naar Atlantis, ook een plek die nog gevonden moest worden.
Flor Vandekerckhove

Bob Dylan’s 115th dream


Een reactie posten