zaterdag 14 april 2018

Toupet

Nog tijdens het applaus had ik me al achter het gordijn teruggetrokken. Daar, in de coulissen, zocht ik haastig naar de brandladder, en die bracht me naar de steeg achter het gebouw. Ik rende naar de tram.
Mijn lezing had ik afgesloten met de woorden: Lees die dichter! Zijn oeuvre doorstaat de storm der tijden! Dat sloeg nergens op, maar dat kwam doordat ik me razendsnel uit de voeten wilde maken.
Voorafgaand aan die slotwoorden had ik uitgeweid over ‘s mans bundels, maar al sprekend werd ik heel de tijd gekweld door de vraag of je een toupet met spelden vastmaakt of met lijm. En of zo’n haarstukje eigenlijk wel sterk genoeg is om er stormen mee te trotseren. Iets wat van de poëzie van de dichter niet gezegd kon worden, alhoewel ik dat op ’t einde toch wel zei.
Nóg eerder had ik iets over diens jeugdwerk gezegd, terwijl mijn gedachten toen al uitwaaierden naar de vraag of zo’n toupet uit mensenhaar bestaat of uit kunsthaar. Verder vertelde ik het publiek hoe de dichter berooid in de stad arriveerde, een kwestie die me bijlange niet zo interessant leek als de vraag of je zo’n haarstukje met shampoo moet wassen of in de wasmachine.
Dat alles kwam doordat ik bij aanvang het publiek gemonsterd had. Allemaal vrouwen van het type dat gedichten schrijft, maar helemaal achteraan zat een oudere heer, in wie ik meteen meneer Delanghe had herkend.
Nu moet je weten dat meneer Delanghe regelmatig in mijn verhalen opduikt, iets waarvan hij niet gediend is. Vandaar ook dat ik hem probeer te ontwijken. Godver, dacht ik, ik moet zorgen dat ik na mijn lezing meteen verdwijn. Ook was het me meteen opgevallen dat hij er lichtjes anders uitzag. Dat kwam door dat toupetje.
Flor Vandekerckhove

(*) Meer verhalen met meneer Delanghe:


Een reactie posten