woensdag 23 maart 2016

Aan de wankelaar

— De wereld is een schouwtoneel, elk speelt zijn rol en krijgt zijn deel. (Joost van den Vondel) —

Het perspectief dat door mei ’68 geopend werd, en waarmee ik volwassen geworden ben, is al lang weggeveegd. Mijn generatie heeft het moeten meemaken en velen zijn onderweg de hoop verloren. ’t Is niets om trots op te zijn, maar het valt wel te begrijpen. Je moet al een bijzonder scherpe blik hebben om in de duisternis van dit globale kapitalisme de dromen te ontwaren die ons destijds gevoed hebben.
Dat komt doordat de wereld, zoals Vondel het al zei, inderdaad een schouwtoneel is. Op het helverlichte podium vertellen de hoofdrolspelers ons dat actie zinloos is, dat wij geen macht hebben, dat we niet kunnen winnen. Elk speelt, zo zei Vondel ook, zijn rol, maar de rol van de hopeloze is die van een toeschouwer. De hopeloze is een merkwaardig sujet dat, vreemd genoeg, een ticket betaalt om naar zijn eigen ondergang te komen kijken.
Vroeger dachten we dat hoop de gedachte was die zei dat alles in zijn plooi zou vallen. Maar we hebben intussen wel geleerd dat je de hoop niet op zo’n lichtzinnigheid mag bouwen. De toekomst is immers altijd onzeker, hij wordt niet bepaald door God, niet door de glazen bol van madame Blanche, maar evenmin door de vermeend onwrikbare wetten van de geschiedenis. Hij is onzeker voor ons, maar hij is dat ook voor de degenen die daar in het voetlicht van jetje staan te geven. Niemand weet wat ons in die toekomst te wachten staat; zij niet, wij niet.
Wat moeten we dan doen?  ’t Is hier dat de dichter ons te hulp snelt.
Flor Vandekerckhove

Aan de wankelaar

Je zegt:
Het gaat slecht met onze zaak.
De duisternis neemt toe. De krachten nemen af.
Nu, na zoveel jaren werk,
Staan we er slechter voor dan bij de start.

De vijand daarentegen is sterker dan ooit.
Zijn krachten lijken toegenomen. Hij ziet er onoverwinnelijk uit.
Wij echter hebben fouten gemaakt, het valt niet meer te loochenen.
Ons aantal vermindert.
Onze parolen klinken verward. De vijand heeft
Een deel van onze woorden verdraaid tot ze onherkenbaar waren.

Wat is er nu verkeerd in wat wij zeiden?
Iets of alles?
Op wie kunnen wij nog rekenen? Zijn wij, overgeblevenen, geslingerd
Uit de levendige stroom? Zullen wij achterblijven,
Niemand meer begrijpend en door niemand begrepen?

Moeten wij geluk hebben?

Dat vraag jij. Verwacht
Geen ander antwoord dan dat van jezelf.

(Bertolt Brecht, 1935)
Een reactie plaatsen