dinsdag 1 maart 2016

De zeevisser als it-girl


In 1988 nam ik in Oostende een tijdschrift over, Het Visserijblad, een blad dat al sinds 1933 in de vissersgemeenschap uitgegeven werd. Dat was een merkwaardige beslissing, want ik woonde niet aan de kust en economische of familiale banden met de visserij had ik evenmin. Waarom wilde ik me daar dan engageren? Waarom wilde ik een blad uitgeven dat een vorige uitgever nog maar pas opgegeven had?
Feit is dat ik me tot de visserij aangetrokken voelde, zonder dat ik goed kon zeggen waarom dat was. Er was ‘iets’ met die mensen, er was ‘iets’ wat de visserij onderscheidde van al het andere, op die kaaien was ‘iets’ wat het vertellen waard was.
Later heb ik wel leren te formuleren wat dat ‘iets’ was — het had met de zee te maken en met de jacht — maar op dat moment kon ik alleen maar terugvallen op een wankele vergelijking met het verschijnsel it-girl, een meisje dat een kwaliteit heeft die niet meteen in definities of categorieën te vangen valt. De visserij was voor mij de it-girl van de economie.
Enkele jaren later lichtte de Britse reisschrijver Norman Lewis voor mij een tipje van de sluier op. Na de oorlog ging hij uitzieken in Farol, een geïsoleerd Spaans vissersdorp aan de Costa Brava. Hij ging er wonen en trok ook, net zoals al de andere mannen van het dorp, ter zeevisserij. Veertig jaar later schreef hij er Stemmen van de oude zee over, een reisverhaal: ‘Nu is de visserij puur commercieel. De visser schakelt de sonar in, zoekt scholen op, gooit een gigantisch net uit. Toentertijd stapten wij in een bootje, alleen of met zijn tweeën. Mensen specialiseerden zich in één vissoort, kenden de geheimen van de vis.’
— Norman Lewis —
De visserij waarin Lewis terechtkwam was een andere dan deze waar ik in 1988 naartoe trok. In dat Spaanse dorp was de sector primitief, deze die ik aan de Vlaamse kust leerde kennen was hoogtechnologisch. Hoe kwam het dan dat er in dat boek zoveel was dat ik herkende? Waardoor herkende ik in die primitieve Spaanse vissers de matrozen die in de Oostendse visserswijken woonden? Lewis gaf me gaandeweg een antwoord: ‘Het beroep van visser verandert de geest, de mentaliteit. Vissers zijn, waar ook ter wereld gokkers. Ze halen een vangst binnen, verkopen die en spenderen het geld snel aan kleren of cadeaus. Alles moet op, ze leven van dag tot dag. Ze hebben iets heidens, ze offeren aan de oude goden van de zee. Landbouwers plannen alles. In Spanje was er naast het vissersdorp een boerendorp, het verschil had niet groter kunnen zijn.’
Ja, zo had ik ze intussen ook leren kennen, mijn pappenheimers. En ja, die lifestyle had wel ‘iets’. Ook voor de schrijver Norman Lewis: ‘Niet dat ik erin geloof, maar als zou blijken dat ik nog een leven te goed heb en als het beroep dan nog bestaat, dan zou ik visser willen zijn.’
In het citaat bleef mijn oog haken aan de zinsnede 'als het beroep dan nog bestaat'. Want toen ik dat boek voor ’t eerst aan ’t lezen was, werd daar op de Vlaamse visserskaaien veel over gediscussieerd. De visserij was alhier aan een neergang begonnen die het voortbestaan danig in ’t gedrang bracht en op de visserskaaien werd menig gesprek met een gelijkaardige zinsnede afgesloten: als het beroep dan nog bestaat.
Hoe verging het die primitieve Spaanse vissersgemeenschap trouwens? ‘Een jaar of vijf geleden keerde ik terug naar het vissersdorp voor een reportage in de Sunday Times. De verandering was zo verschrikkelijk dat ik besloot nog voor het vallen van de avond te vertrekken. Het dorp was overgenomen door de toeristen. Ik vond er nog een van mijn oude vrienden, Sebastian. Hij had, zoals ik wel verwacht had, een klein hotelletje geopend. Vroeger verdiende hij 32 peseta’s per dag, materieel had hij het intussen stukken beter. Maar het was ook tragisch. Hij was zijn gevoel voor avontuur volledig kwijt.’
Flor Vandekerckhove

Norman Lewis. Stemmen van de oude zee. Voorwoord Cees Noteboom. 1994. A’pen/A’dam, uitgeverij Atlas.

Clara Bow - She's Got It - De eerste it-girl
Een reactie posten