donderdag 31 maart 2016

Taalperikelen aan de Vlaamse kust

— Sloeber nam graag een duik in de Noordzee
maar begreep geen West-Vlaams.  (foto G.Myle) —
Achtentwintig jaar geleden kwam ik weer aan de kust wonen, die ik twintig jaar lang achter me gelaten had. Ik bracht een hondje mee dat Sloeber heette.
Ik ontmoette er oude vrienden die achteraf geen vrienden bleken te zijn, las regionale kranten om de draad weer op te nemen en sprak West-Vlaams alsof ik er nooit was weggeweest. Ik werd er verwelkomd als de verloren zoon die eindelijk het rechte pad had opgezocht, het verloren schaap dat onverwachts zijn stal had weergevonden. Althans dat dacht ik.
Dat dacht ik tot ik ongewild een gesprek moest afluisteren waarin men het over mij had. Ik zat op het wc van een café. Sloeber had ik aan de barman toevertrouwd. Het gesprek werd gevoerd door twee kennissen die na mij in ’t toilet waren gekomen. Ze hadden het over mijn hond, waarvan ze wisten dat hij door mij in ’t algemeen Nederlands aangesproken werd. Wat ze belachelijk vonden; waarin ze het bewijs zagen dat ik het erg hoog in mijn bol gekregen had; wat hen duidelijk maakte dat ik hen in ’t West-Vlaams neerbuigend bejegende; dat ik mijn hond hoger aansloeg dan de volksgenoten die ik twintig jaar lang niet had willen bekijken; dat ik in ’t binnenland stadsmaniertjes ontwikkeld had en niet moest denken dat ze daarin mee zouden gaan…
Er kwam geen einde aan. Ik had al lang gedaan met kakken, maar bleef roerloos zitten, verwonderd over de hoeveelheid woorden die mannen onder ’t pissen met elkaar wisselen. En natuurlijk was ik verbolgen over wat ik daar te horen kreeg.
Uiteraard sprak ik met Sloeber geen West-Vlaams. Het beest was buiten de provincie grootgebracht, samen met mijn kinderen die evenmin West-Vlaams begrepen. Had ik die kinderen met me naar de kust gebracht dan had ik hun dat West-Vlaams nog kunnen bijbrengen, maar de hond was inmiddels veel te oud geworden om een nieuwe taal te leren.
Er bestaat trouwens ook iets als de macht der gewoonte. Want toen ik weer in de gelagzaal kwam en daar de mannen zag die zo over mij gesproken hadden, wilde ik expliciet aan Sloeber zeggen, kom oendje, we gòòn nor uus, maar dat zei ik niet. Uit mijn mond hoorde ik iets anders vlieden: ‘Kom hondje, we gaan naar huis.’ Ik zag hoe de twee elkaar veelzeggend aankeken en tegen hen zei ik: ‘Kust me kloten, gieder.
Flor Vandekerckhove
Een reactie posten