woensdag 13 april 2016

Conscience en ik (11)

— Rooie Machteld bezoekt haar moeder en haar kleine broertje in de Oostendse wijk OPEX. Ze legt het geld op tafel dat ze aan de Oosteroever, in hotel Het Slot, verdiend heeft. © Jo Clauwaert. — 

Het gothic verhaal dat ik aan ’t schrijven ben, is losweg gebaseerd op De Leeuw van Vlaanderen, het meesterwerk van Hendrik Conscience. U kent inmiddels al mijn eigen Groeningekouter, de plek waar ik de strijd in 2102 laat doorgaan, de Oostendse Oosteroever. Ook hebt u al kennis gemaakt met mijn persoonlijke versies van Machteld, Jan Breydel & Pieter De Coninck en Robrecht van Vlaanderen.
Omdat het een vampierverhaal moet worden, verschillen die personages enigszins van deze die Hendrik Conscience voor ogen had. De Vlaamse natie heeft in 2102 een bangelijke vorm gekregen en het kapitalisme, dat in 1302 niet eens bestond, is in 2102 in zijn laatste stadium getreden: het vampierkapitalisme. De Vlaamse helden zijn daar, hoe zou het anders kunnen, erg door getekend.
Tot zover de inleiding.
Lezers die het gebied rond de Oostendse Oosteroever kennen, weten dat ik daar nog niet alles over gezegd heb. Daar moet nog een stukje over de Opex aan toegevoegd worden, een woonwijk die door de Koninklijke Baan van het havengebied gescheiden wordt. De wijk, die naar een naamloze vennootschap genoemd werd — het letterwoord Opex komt van NV Ostend Phare Extention — werd vanaf 1925 gebouwd om er de vissers en havenarbeiders in onder te brengen, omdat men ze in de stad liever kwijt dan rijk was.
Bij het lezen van voorgaande zin fronst u misschien de wenkbrouwen, maar dat komt alleen doordat u van toeten noch blazen weet. Die onwetendheid smelt evenwel als sneeuw voor de zon als u enkele passages uit Merkwaardige bladzijden uit de geschiedenis van Oostende leest. Dat is wat auteur Foutry in 1938 over het ontstaan van de Opex zegt: In Oostende ‘waren de kroegen zoodanig in aantal toegenomen dat ons zeevolk in een gealcoholiseerd ras dreigde te ontaarden.’ De stad, die met het toerisme vereenzelvigd wordt, is dat soort volk liever kwijt en bouwt er, aan gene kant van de haven, een aparte wijk voor. ‘Vergeten we daarbij niet,’ zegt Foutry, ‘dat de visscherskinderen op die wijze bewaard blijven voor het beroep van hun voorvaderen, daar allerhande “postjes” in een te drukke nabije seizoenstad tal van zeemanszonen aan de scheepvaart ontrukten.’
Helaas, driewerf helaas! In 2102 bestaat de visserij niet meer…
Maar de Opex bestaat nog wel. Daar wonen in 2102 niet langer vissers en havenarbeiders, maar compleet uitgezogen, bloedeloze uitzuigkrachten, zombies, een reserve voor de tekorten die zo nu & dan op de uitzuigmarkt ontstaan. De Opex is tegen die tijd een soort Molenbeek geworden, maar nog veel erger.
Een bord windt er geen doekjes om: HIER WONEN UITGEZOGEN WERKLOZEN. BETREDEN OP EIGEN RISICO. Wie er niet woont laat de wijk liefst links liggen, ook omdat de Vlaamse staatspolitie regelmatig de huizen komt uitmesten, op zoek naar zombiekinderen die, jong als ze zijn, toch over enig bloed beschikken.
Daar leeft in 2102 ook de compleet uitgezogen moeder van Machteld, samen met de kleine Jaak, het jonge broertje van onze heldin. Jo Clauwaert toont haar in bovenstaande tekening, terwijl ze in dat huis het geld afgeeft dat ze, in een vorige aflevering van dit spetterende epos, als uitzuighoer in hotel Het Slot verdiend heeft.
Flor Vandekerckhove

(Vervolgt)
Een reactie plaatsen