dinsdag 5 april 2016

Zij is een levend schoon en kent zichzelve niet

Marine, © Luc Blomme.

 Het is lang geleden, maar ik herinner het me nog goed. Ik had opdracht gekregen om, in het kader van De week van de zee, een toneelstuk te schrijven. Tijdens de voorbereiding ervan stootte ik op een dichtbundel van Hendrik Marsman. Daarin viel mijn oog op een vers dat ik nooit meer zou vergeten: ‘Wie schrijft, schrijv’ in de geest van deze zee / of schrijve niet (…)’. Dat is mooi, dacht ik, bijzonder mooi, maar wat wil het zeggen?
Daar is mijn reis begonnen. Ik nam mijn staf ter hand en ging op zoek naar plekken waar poëzie en zee elkaar ontmoeten. Die tocht heeft al naar tal van ontdekkingen geleid. Zoals naar deze zinnen van Paul Snoek: ‘De zee plant zich voort in het water / De zee is voedzaam als een rijpe boomgaard. / Zij is de moeder van de grootste sterren.’
Als de zee een moeder is dan is ze ook een vrouw. Ook dat heeft Snoek goed gezien: ‘Alle dagen viert zij feest de zee.’  Dát soort vrouw dus. Karel Jonckheere windt er geen doekjes om: ‘Zee is een wijf met een schoot als de hel… / door elk schip te berijden / tot de zeven glazen der laatste bel / van alle zeer bevrijden.’
Moeder, fuifnummer, wijf, maar, zegt de Russische dichter Tjoettsjev, ook een potentiële minnares: ‘Mooi ben je zee in het nachtelijk duister, — / Hier helder stralend, en daar donker blauw… / ’t Maanlicht verleent je een glanzende luister, / Levend welhaast, alles flonkert aan jou…’ Dichter-zeeman Jan-Jacob Slauerhoff deelt dat verlangen ‘Naar een tuin aan zeeën blauw / Waar een ongerepte vrouw / Toelaat tusschen breede, / Volle en toch slanke dijen  / Mij voor eeuwig neer te vlijen / In oneindige omhelzing, / Waaraan ook het water deelneemt.’  Of hoe het niemandsland tussen zee en poëzie ook de plek is waar eros en thanatos elkaar plegen te ontmoeten.
In de antieke wereld bevindt de bron van de scheppingskracht zich niet op het land, maar in een onderwereld. Waar dat rijk gezocht moet worden is voer voor debat. Paul Rodenko wijst erop dat als een oude Egyptenaar, Babyloniër of Griek in het Frankrijk van de negentiende eeuw verzeild zou raken en met behulp van het daar geldende christelijke begrippenstelsel zijn geloof zou moeten uitdrukken: hij zou de ‘onderwereld’ met ‘enfer’ vertalen, ergo ‘heer van de onderwereld’ met ‘Satan’, ergo ‘scheppingskracht’ met ‘le Mal’(…)’
Dat kan wel zijn, maar dat betekent ook dat de mythologische thuisplek van de creativiteit voor interpretatie vatbaar is. De IJslandse dichter-zeeman Grimsson suggereert in zijn gedicht Vissersboot dat die onder zee kan liggen: ‘Het zeeschuim erboven en een scheur in het wolkendek. / Daar beneden ligt de diepzee met zijn bleke bossen.’
Hoe dan ook, poëzie en zee ontmoeten elkaar, zo heeft de ontdekkingsreis me geleerd, in de dialectiek van geven & nemen, eros & doodsdrift, afstoten & aantrekken.  Maar heb ik ook een antwoord gevonden op de vraag die me op weg gestuurd heeft? Ja en neen. Dit is wat Heinrich Heine me daarover heeft meegegeven: ‘De golven ruisen met hun eeuwig ruisen, / De wind waait, de wolken jagen, / De sterren blinken, koud en onverschillig, / En een dwaas wacht op het antwoord.’
Flor Vandekerckhove


[De versregels van Heinrich Heine komen uit het gedicht Fragen. Dat gedicht staat in de bundel ‘Die Nordsee’ (1827). Deze van Hendrik Marsman vond ik in De zee uit de bundel Tempel en kruis (1939); de verzen van Paul Snoek las ik in Herculus (1960); Jan-Jacob Slauerhoff citeerde ik uit Al dwalend (1947, Verzamelde gedichten). De regels van Karel Jonckheere komen uit Bounded stores, een gedicht uit De hondenwacht. (1951). Het citaat van Paul Rodenko komt uit Gedoemde dichters (1957) en het vers in de titel komt uit Van de zee (1867) en is van Willem Kloos.]
Een reactie plaatsen